Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stof, waaruit het marmer bestaat), zoo „beenhard" geworden, dat bij de groote zeekreeften een bijl noodig is, om bij de inwendige weeke deelen te komen. Daarbij zetten zich juist bij deze kreeften nog chitinedeelen tot in de maag voort, zoodat men kan zeggen, dat deze dieren nog een skelet •in de maag hebben zitten, waarmede zij, in plaats van met tanden, het voedsel nog eens kauwen.

Daar dus insect, spin, schorpioen, duizendpoot en kreeft in hunnen bouw zoo nauw samenhangen, heeft men ze in de dierkunde vereenigd tot den stam of het type der gelede dieren, evenals men zoogdieren en vogels, reptielen, amphibiën en visschen als „gewervelde dieren" bij elkaar voegt. De insecten nemen daarbij de hoogste sport van de stamladder, de kreeften de laagste in.

Toch hebben zich waarschijnlijk historisch niet alle hoofdgroepen van dien stam rechtlijnig en geregeld uit elkaar ontwikkeld. In t algemeen moeten wij ongetwijfeld ook de gelede dieren van de wormen afleiden, — en de boven besproken ringwormen (aardworm en bloedzuiger) komen er zelfs nu nog zeer veel mede overeen, zooals door het gelede lichaam en het zenuwstelsel. Daarom is de Latijnsche naam : arthropoda, d. i. „geleedpootigen", juister, daar de ringwormen wel een geleed lichaam, maar nooit gelede pooten hebben. Uit zulke wormen hebben zich wellicht reeds in zeer oude tijden eerst de kreeften ontwikkeld. Dan onafhankelijk van deze de duizendpooten, die in hun uiterlijk nog beslist iets wormachtigs hebben en inderdaad leeft in de heete luchtstreek nog thans een directe, zeer leerrijke overgang van worm tot duizendpoot: de Perip&tus. Uit de duizendpooten zijn dan, waarschijnlijk weer in twee onafhankelijke zijtakken, de schorpioenen met de spinnen en de eigenlijke insecten voortgekomen.

Dit is de draad van Ariadne in den doolhof van dwaze diervormen, dien gij nu weer bij uw verder onderzoek van de liefde moet doorloopen. Wij beginnen van onderen af, — bij den kreeft.

Sluiten