Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eene kwaadaardige giftklier uitmondt, om het gevangen offer te verlammen. Van onderen echter steken zij aan beide zijden als een lange tastvoeler vooruit — laat ons zeggen, om bij het menschelijke beeld te blijven, hoewel dit slechts gebrekkig kan zijn — als twee vooruitgeschoven puntige lippen, die vrij rondmummelen, terwijl verder naar binnen flink gekauwd wordt.

Ja en dan ! Met deze puntjes van de onderkaak nu grijpt onze spinneman zijn eigen, in de éénzaamheid afgescheiden, zaaddroppeltje en — zuigt het op in eene holte van dat puntje, als in een klein voorloopig reservoir. In dat uiterste, lipvormig vooruitspringende, puntje wordt dat droppeltje nu,' als op een presenteerblaadje, en tevens in eene zooveel mogelijk tandenknarsende fronthouding naar mevrouw spin daarginds overgebracht. Moedig wandelt hij dus naar den overkant, aan den rand van het andere web. De groote dikke spin in het middelpunt aldaar krijgt hem in het oog. En nu zijn er verschillende mogelijkheden.

Het is mogelijk, dat zijn uiterlijk haar niet bevalt. Misschien is hij te klein, niet mooi of niet duidelijk genoeg geteekend, kortom : om de eene of andere reden mishaagt hij haar. Dan staat de zaak reeds bij voorbaat hopeloos. De vrouw loert dan op hem, volkomen zooals op eene vlieg.

Maar het kan ook omgekeerd zijn. De spin beschouwt den huwelijks-candidaat en deze bevalt haar zoo op het oog wel. Langzaam klautert zij van haren troon naar den rand van het web, waar het mannetje bescheiden wacht. Ontwijfelbaar gevoelt zij zelf ook minnepijn. Het ontzaglijke wereldverlangen legt voor een uurtje aan het persoonlijke eetverlangen het zwijgen op. Met den rug naar beneden, den kop vooruit, de pooten als verstijfd samengetrokken, hangt mevrouw spin zich aan het net op, — zij wacht den spinneman af ... . Zal hij de Siegfried zijn ? of zal het hem gaan, zooals den armen koning Gunther, die door mevrouw Brunhilde in den huwelijksnacht gekneveld en aan de zoldering opgehangen werd ....

Sluiten