Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1. Rekenen (vermenigvuldigen en deelen) met afwezige hoeveelheden.

2. De cijfers.

3. Optellen en aftrekken met abstracte getallen (+ en —).

De behandeling der getallen van 6 tot 10 omvat echter:

1. Voorstelling der hoeveelheid en opmerken van het aantal.

2. Ontbinding en samenstelling van aanwezige hoeveelheden.

3. Aftrekking, vermenigvuldiging en deeling van aanwezige hoeveelheden.

4. Rekenen (optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, deelen) met afwezige hoeveelheden.

5. Optellen en aftrekken met abstracte getallen.

Bij de herhaling der getallen van 1—10 wordt het vermenigvuldigen en deelen met abstracte getallen aan het reeds behandelde toegevoegd.

Om de volgorde: rekenen met aanwezige dingen, met afwezige dingen en met abstracte getallen te motiveeren, zij opgemerkt, dat eerst dingen geteld worden, die werkelijk aanwezig zijn (het eenvoudigst geval), dan dingen, die de leerlingen zich voorstellen (iets minder gemakkelijk, omdat de leerlingen hierbij het rekenmateriaal, dat in het eerste geval door den onderwijzer voor hen gebracht wordt, uit hun geheugen nemen), en eindelijk zonder eenig materiaal. Bij het laatste moet de leerling ten slotte de uitkomst van eenige rekenkundige vraag (b.v. 5 + 3) in zijn geheugen hebben; maar vaak zal hij, als hij moet zeggen, hoeveel 5 + 3 bedraagt, uitrekenen 5 ct. + 3 ct. = 8 ct. om eerst dan te antwoorden 5 + 3 — 8. Dit bewijst intusschen slechts, dat de uitkomsten nog niet aan het mechanisch geheugen toevertrouwd zijn, dat de leerling nog steun be-

Sluiten