Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

12 moeten er zijn; dus moeten er bij 2 blokjes, 12 blokjes zijn dus 10 blokjes en 2 blokjes." Bij het rekenen met afwezige hoeveelheden wordt de vraag b.v. aldus ingekleed: „Jan wilde een cadeautje voor moe koopen, dat 12 ct. kostte, hij had 1 dubbeltje, hoeveel ct. moest hij nog besparen?"

Bij het rekenen met abstracte getallen wordt de leerling eenvoudig voor de vraag gesteld: „ 12 = 10 + ..." of „Hoeveel moet er bij 10, om 12 te krijgen?"

Wat het aftrekken aangaat, hierbij doet zich nog de vraag voor of 13 — 9 uitgerekend moet worden als 10 + 3 — 9 = 10 — 9 + 3 = 1 + 3 = 4 of als

13 — 9=13 — 3 — 6 = 10 — 6 = 4. Waar het resultaat moet zijn, dat de leerling in eens zegt, 13 — 9 = 4, daar is het de vraag, welke handelwijze de leerling, mocht hij haperen, het gemakkelijkst terug kan vinden, en dit is ongetwijfeld de eerste. I)e splitsing toch van 13 in 10 + 3 is den leerling opzettelijk bekend gemaakt bij de behandeling van het getal 13; deze splitsing is dus meer bekend dan de vrij gezochte splitsing van 9 in 3 + 6. Daarenboven, wie van 1 dubbeltje en 3 centen 9 centen moet afnemen, zal beginnen met het dubbeltje te nemen, om dan een cent terug te geven; de eerste handelwijze is alzoo het natuurlijkst, d. w. z. zal eerder toegepast worden, ook zonder dat de leerling rekenonderwijs ontving.

Bij het vermenigvuldigen worden, na eenvoudige opgaven (de tafels), combinaties van vermenigvuldigen met optellen (aftrekken) gegeven, waardoor bij de eene bewerking andere herhaald worden.

Wat het deelen betreft, hierbij doet zich het eigenaardige geval voor, dat eenzelfde teeken (:) twee verschil-

Sluiten