Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

standen, eindtemperatuur van vermengde hoeveelheden warm water, enz.)

De rekenkundige leerstof, in het leerplan uitgetrokken, wordt dus reeds gemotiveerd door het rekenen in dienst der andere leervakken.

§ 22. liet nut van het rekenen voor de levenspractij k aantoonen, zal wel overbodig wezen; ieder toch, in welken stand der maatschappij ook geplaatst, heeft te rekenen; bij het ontvangen zijner verdiensten, het doen zijner uitgaven, het vervullen zijner plichten, enz. gebruikt de mensch zijn opgedane rekenkundige kennis; de levenspractijk eischt van ieder onverbiddelijk, dat hij vaardig met getallen kan werken. Nu zij het waar, dit werken bepaalt zich, wat het gewone leven betreft, tot getallen, kleiner dan 1000, en de eenvoudigste breuken, hoogstens is bekendheid met enkele rekenwijzen (percentrekening, verhoudingen, mengingrekening) nog gewenscht, maar daaruit volgt nog niet, dat de rekenkundige leerstof zich slechts tot dit minimum zou dienen te bepalen. Weten en doen toch zijn twee; om vaardig met de getallen tot 1000 en de eenvoudigste breuken te kunnen werken en bekend te zijn met enkele rekenwijzen, moet meer behandeld zijn dan deze leerstof. Die vaardigheid toch is een gevolg van oefening, en nu is het haast onmogelijk, den lust in rekenen levendig te houden, als die oefening eenige jaren gehouden wordt met dezelfde leerstof. De minimum-leerstof (zoo even genoemd) stelt n.1. ter opvatting aan de leerlingen uit het vierde leerjaar geen te zware eischen, zoodat, beperkte het rekenonderwijs zich tot het strikt noodzakelijke, in het vijfde en zesde leerjaar slechts herhaald werd, wat in de vorige behandeld was, en dit nu is te krasse proef voor de leergrage jeugd.

Sluiten