Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Confessie goedkeurden. Yan laatstgenoemde is dat al zeer waarschijnlijk. Want dat de Bres in 1564 en '65 het boeksken van Fabritius' gevangenschap uit het fransch vertaalde, sproot wellicht uit dankbaarheid voor diens medewerken aan de Confessie voort.

Dat Sylvanus in 1561 Fabritius' ambtgenoot te Antwerpen was, is volgens Dr. van Langeraad niet uit te maken. Waarom zouden wij dan op dit punt Thysius' verhaal in twijfel trekken?

Thysius vermeldt nog als nederlandsche leeraren, doch tijdelijk te Embden vertoevende, Cornelius Colthu' nius of Kooltuin, eertijds pastoor te Alkmaar, en Nicolaüs Carenaeus. Tegen beider medewerking tot de goedkeuring iler Confessie vond ik geen enkel bezwaar ingebracht.

Zoo komen wij tot de buitenlandsche predikanten, voor zoover zij van Nederlandschen afkomst waren of tot ons land in nauwe betrekking stonden.

Schoock vermeldt hieromtrent deaelfde personen als Thysius, wiens verhaal hij wellicht voor dit deel overnam. Maar Thysius noemt één medewerker meer, te weten Petrus Delenus te Londen.

Dr. van Langeraad oordeelt, dat „in een zending der Confessie ter goedkeuring aan eenige buitenlandsche predikanten, . .. zeer veel onwaarschijnlijks en onwaars valt op te merken" i). Hij wijst vooraf op menige onjuistheid in de verhalen van Thysius en Schoock.

Wat nu de betrouwbaarheid onzer beide zegslieden betreft, reeds wijlen professor Kleyn sprak van „de Thysiaansche fabelen". Doch wjjlen de hoogleeraar 1'ruin, in zijn beoordeeling der dissertatie van Dr. van

l) a. w., blz. 116.

Sluiten