Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE GESCHIEDENIS DER NEDERLANDSCHE GELOOFSBELIJDENIS.

HOOFDSTUK III.

De NEDERLANDSCHE GELOOFSBELIJDENIS EN DE W'AALSCHE KRUISSYNODEN. (1563—1566.)

België, het land waaraan de staatkunde tweemaal, in de zestiende en in de negentiende eeuw, onze erve op het nauwste heeft pogen te verbinden, welks geschiedenis soms met de onze is dooreengeweven, is een door de natuur rijk gezegend gebied. Het is bijna zoo groot in oppervlakte als ons vaderland. Zjjn bodem is schier geheel effen, deels vet en vruchtbaar, deels, in het oosten, zandig en moerassig. Slechts hot zuiden heeft, door uitloopers der Ardennen, heuvelen en wouden. De kleine kuststrook in het westen is vlak en eenvormig. In de zestiende eeuw was het graafschap Vlaanderen met zijn grootsch verleden de eenige aan de Noordzee reikende provincie. In het zuiden had het land zijn langste fiontier. Op de fransche grens lagen, van west naar oost gaande, het graafschap Atrecht, het zeer kleine hertogdom Ivamerijk, het graafschap Henegouwen, het graafschap Namen, het bisdom Luik dat een smalle landstrook van zuid naar noord vormde, en het hertogdom Luxemburg. In het oosten grensden de hertogdommen Limburg en Gelre aan Duitschland Ten westen van die beiden lag het uitgestrekte hertogdom Brabant, het hart des lands, dat in het noorden met een lange grensstrook aan Noord Nederland paalde.

13

Sluiten