Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

slechts zeer noode en niet onvoorwaardelijk aan hem afgestaan. Evenzoo werd Petrus Dathenus, de vervaardiger onzer oude psalmberijming, 's vorsten hofprediker en vertrouweling, zoodat de duitsche hovelingen hem „hofmeester" noemden.

Frekerik's tweede vrouw was de sehoone weduwe van heer Hendrik van Brederode, eens het hoofd-van het verbond der edelen. Hij huwde deze ijverige calviniste 25 April 1569, alzoo 7 jaren vóór zijn dood. Deze echtverbindtenis bevestigde Frederik in zijn calvinistische overtuiging, en in zijn liefde voor oud-Nederland.

Frederik had destijds reeds drie volwassen zonen. De oudste, de vrome keurprins Lodewijk, was en bleef streng luthersch, ondanks alle vermaningen des vaders. Volgens familietraditie was hij vaders stadhouder in de Opperpalts, en volgde bij diens dood in 1576 Frederik als keurvorst van de Neder- of Rijnpalts op. De tweede zoon, Johann Casimir, was vaders volle geestverwant. Tot tweemaal toe, in '68 en in '76, dwong hij aan het hoofd van een sterk hulpleger de fransche regeering tot een voor de Hugenooten gunstigen vrede. Frederik's derde zoon, de veel belovende graaf Christoffel, vond met de graven Lodewijk en Hendrik van Nassau in den slag op de Mookerheide 14 April 1574 den heldendood.

Voorwaar, Frederik III van de Palts en zijn huis hebben zich jegens de gereformeerde kerk, ook van Nederland, zeer verdienstelijk gemaakt. Eere zij hun namen, vrede zij hunner assche.

Frederik III liep echter juist ten jare 1566 groot gevaar, zijn vorstendom en keurhoed te verliezen. De godsdienstvrede van Augsburg (1555) verzekerde den vrede enkel tusschen de belijders der augsburgsche, d. i. luthersche confessie, en de aanhangers der oude roomsche kerk.

10

Sluiten