Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Smeekbrief is een veel korter stuk dan het Vertoog, lo bladzijden groot 80 lang. Uit den aard der zaak is de toon veel warmer en dringender. Hier treden smekelingen voor ons, die uit het vuur der vervolging de hulp der keizerlijke Majesteit inroepen.

Allereerst wordt de bedroefde staat van de bekenners der waarheid in de Nederlanden geteekend. Yzer en blok, hangen en branden, zijn de vonden der wreedheid tegen de kinderen Gods. Nog erger gruwelen zijn te wachten, blijkens de openbare afroeping van het concilie van Trente, de aanstelling van nieuwe bisschoppen, en de aankomst van uitlandsche inquisiteurs of kettermeesters. Waartegen de geloovigen zich wenschen te sterken door geestelijke lijdzaamheid, de bevinding deikracht Gods in zijn martelaren, en de herinnering van afgrijselijke exempelen der wraak Gods tegen de vervolgers.

Daarop verzoekt de Smeekbrief zeer ootmoedig een tweetal beden. De eerste is, dat de keizerlijke Majesteit, met de prinsen en staten die belijdenis van het evangelie doen, een gezantschap zenden aan den koning van Spanje, om er op aan te dringen, dat de geloovigen in de Nederlanden, ten minste eens, wettelijk eerst gehoord vóór zij verdoemd [veroordeeld] worden. Want hun „genadigste" Koning, door kettermeesters betooverd en „uit onwetentheyt" [0 christelijke onderstelling!] zondigende, houdt godslasteraars, ketters en verraders der overheden voor welgevoelenden in geloofszaken en trouwe onderdanen, en ziet voor ketters en wederspannigen aan, hen die slechts de H. Schrift gelooven, en bereid zijn hun leven voor den Koning te wagen.

De tweede bede is, dat de keizerlijke Majesteit op den rijksdag het stuk der religie naarstig verhandele, en Gods eer en de waarheid bevordere. Dat zij zich niet begeve tot hen, die smeden ik weet niet wat voor een middelbare of tusschen beiden zwevende nieuwe religie,

Sluiten