is toegevoegd aan uw favorieten.

De geschiedenis der Nederlandsche geloofsbelijdenis

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

betwijfelt „zonder genoegzamen grond"!). Inderdaad, terwijl Junius zoo vóór als na de passage, die wij bespreken, nog andere maandopgaven doet, schijnt het vrij willekeurig, de juistheid van sommige tijdsopgaven te aanvaarden, van anderen te betwijfelen. Ook teekent de gansche geschiedenis van de vijf eerste levensjaren der confessie tegen dr. van Langeraad's onderstelling protest aan. De belijdenis was in 1561 door vele nederlandsche predikanten goedgekeurd. De synode van Armentiers in '03 had bepaald, dat de verkoren ouderlingen en diakenen „zullen onderteekenen de belijdenis des geloofs, die onder ons is vastgesteld". De pinkstersynode van Antwerpen in '65 had aan al haar overige besluiten de verklaring doen voorafgaan : „Dat bij den aanvang van iedere Synode, men voorlezing heeft te doen van de belijdenis des geloofs der kerken van dit land: zoowel om onze eenheid te betuigen, als om te beraadslagen, of er niets te veranderen of te verbeteren valt". En Gilles le Clerq, in naam van Neerland's Gereformeerden, had de belijdenis nu in 1566, nauwelijks weinige maanden geleden, aan keizer en rijksdag te Augsburg bekend gemaakt.

Al deze klemmende officieele bewijzen voor het bestaan eener publieke gereformeerde geloofsbelijdenis kende ook de Hames wel. Hij schrijft dan ook niet van „een" belijdenis, alsof een confessie nog gemaakt of nog kerkelijk aanvaard moest worden, maar van „de" belijdenis. Zijn missive bevat geen grond voor het vermoeden, dat Junius in zijn tijdsopgave zich vergiste, en de befaamde Meisynode van 1566 niet in Bloei-

') Kerkelijke Courant 1896, No. 12, Bijzonderheden uit de Ned. Kerkgeschiedenis, opstel XIII: De aanneming der Ned. Confessie als formulier van Eenheid.