Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meerde kerk, de autonomie der gemeenten. Het werd door de wegneming dezer woorden niet verzaakt. Opdat het des te meer effect zou hebben, was het reeds 1 Mei 1563 overgenomen in de kerkordening der synode van Antwerpen, artikel 2. De synoden van Wezel (1568) en Embden (1571) plaatsten het ook in hun kerkordeningen. De weglating van 1566 kan ons leeren, hoe de oude kerk de kerkordening in verband met de belijdenis beschouwde en gebruikte.

Niettemin is er calvinisme en calvinisme. Artikel 13 handelt „Van de Voorzienigheid Gods en regeering aller dingen". Tot dusver heette het aldaar: „Que mesme il ordonne et fait tresbien et iustement ce que le Diable et les hommes font iniustement. So dat hy ordineert, werckt seer wel ende rechtueerdichlicken, dat de Duyvel ende de menschen onrechtueerdichlic wercken". Hierin staat uitgedrukt de volkomen consequentie van Gods souvereiniteit ook over het kwaad. God beveelt en doet het kwaad, schoon op zulk een wijze, dat Hij goed en rechtvaardig is en blijft. De boozen zijn Gods werktuigen. Zij zondigen, als zij kwaad doen. „Zal er een kwaad in de stad zijn, dat de Heere niet doet" (Amos 111:6)? In de woorden der belijdenis hooren wij de leerlingen van Calvijn, die zeide: „Quod permissionem vocant, non satis est. Als men de werking Gods ten opzichte van het kwaad toelating neemt, dan zegt men niet genoeg" ').

Daarentegen werd in 1566 de uitspraak aldus gewijzigd: „Dat Hij zeer wel en rechtvaardiglijk zijn werk beschikt en doet, wanneer ook de duivelen en goddeloozen onrechtvaardiglijk handelen". Een merkbare verandering in de leer. Nu niet langer: God alleen werkt, Hij werkt rechtvaardiglijk, Hij werkt door de boozen als instrumenten. Maar wèl: God werkt en de boozen werken; Hij werkt rechtvaardig, zij werken onrecht-

1) 1. 1., II, IV, 3.

Sluiten