Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overeen, doch wijkt in andere opzichten af, en stemt in deze overeen met de herziene uitgaven van na 1566. Zoo komt hier vóór artikel IX de zinsnede voor, die in alle vroegere uitgaven ontbreekt. Is er reeds vóór 1566 aan de confessie veranderd?

Wijlen dr. A. van der Linde schreef naar aanleiding van professor Fruin ook over dit onderwerp ')• Zoo vermeldde hij, dat de bibliotheek van Hulthem thans in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel berust. Daaruit is mij het nederlandsch exemplaar der belijdenis van 1566 welwillend ter inzage gezonden. Daardoor werd het mij mogelijk, een aannemelijke oplossing der moeilijkheden voor te dragen.

Het brusselsche exemplaar werd door mij vergeleken met den oudsten nederlandschen tekst van 1562. Daartoe nam ik de reproductie-uitgaaf ter hand, door dr. v. d. Linde in 1864 bezorgd. Beide boekskens zijn van hetzelfde formaat, 12° uitgaven, en tellen 39 folio's. Ze zijn gedrukt met oud duitschen letter.

Wat den inhoud aangaat is mij gebleken, dat deze uitgaaf van 1566 een getrouwe herdruk is der editie van 1562. Beiden missen het voorvoegsel van artikel 9, verklaren in artikel 15 ten aanzien van de erfzonde „ende en wert oock door de doope niet wech ghenomen", en geven artikel 16 in de oude nog onverkorte redactie. Slechts de spelling is eenigszins anders, hetgeen bij de eigenwillige, sterk varieerende schrijfwijze dier dagen iets heel gewoons is. De tekst van 1562 spreekt meest van hy en wy, die van '66 van hi en wi. De eerste schrijft in artikel 9; „hy schiep hem segghe ick, na den beelde Gods"; de tweede: „hi schiep hem, segghe ick, nae den Beelde Gods". Vier afwijkingen op negen woorden.

Op nog meer verschilpunten dient te worden gelet. Vooreerst op den titel. De uitgaaf van 1562 heette:

1) De Ned. Spectator van 1805, blz. 162 verv.

Sluiten