Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

des te meer reden bestond er, om heel die instelling aan den staat te brengen. De keizer volbracht dus de „secularisatie (verwereldlijking) van het ketteronderzoek". Hij zelf stelde 23 April 1522 Frans van der Hulst, raadsheer van Brabant, als geloofsrechter aan. Een leek door een leek benoemd voor een tot dusver geestelijk geacht ambt «)•

De inquisiteur-generaal benoemde zelf zijn medehelpers of gesubdelegeerden. De beruchtste onder-inquisiteur was eenmaal Ruard of Rieuwerd Tapper van Enkhuizen (1485 — 1559), doktor en hoogleeraar in de godgeleerdheid te Leuven en deken van St. Pieter aldaar, sinds 1537 inquisiteur-generaal2).

Tapper benoemde in 1545 tot gesubdelegeerde voor Holland en Zeeland een voormaligen kanunnik van den Dom te Utrecht, Franciscns Sonnius, destijds professor en kanunnik van St. Pieter te Leuven. Sonnius'bekendheid is voor een deel zijn beruchtheid. Reeds vroeger was hij werkzaam geweest bij het ketteronderzoek. In 1553 werd zijn inquisitoriale macht uitgebreid over Friesland, Groningen en Overijsel. Toen de zaak der nieuwe bisdommen op het tapijt kwam, reisde hij als gezant van Filips II naar Rome om bij paus Paulus IV op de uitvaardiging van een desbetreffende bul aan te dringen3). Zelf genoot hij een goed deel van de stoffelijke vruchten der nieuwe

1) Het keizerlijk plakkaat, het eeuwig edict, van April en Mei 1550, is de afronding van alle vorige plakkaten. Zie over de inquisitie in ons vaderland vóór 1550 vooral Hoofts Nederl. Hist., Boek I, bl. 32 v. (uitg. van Elzev. 1642), en vgl. Prof. Royaards: De Nederl. volksgeest tegenover de Sp. Inquisitie, Archief D. I. blz. 256—260. Over den oorsprong en de geschiedenis der instelling in het algemeen leze men Lhorente, wiens werk verkort in het Hollandsch verscheen te Amst. en Fran. 1821—1823, in drie deelen, onder den titel: Oordeelkund. geselt, der Sp. Inquisitie.

2) Vgl. Moll, a. w., blz. 181, en I. M. J. Hoog, De martelaren der Hervorming in Nederland tot 1566, Schiedam 1885, blz. 43.

3) Bor, fol. 17.

Sluiten