Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die de roomsche kerk verlieten, had Desiderius Erasmus zich ten doel gesteld, in de kerk blijvende haar te reformeeren. Even gematigd als hij dachten en leerden twee invloedrijke Brugschen, die bij geleerden en geestelijken hunner woonstad veel ingang vonden. Johannes Ludovicus Vives (f 1540) zou men een evangelisch christen kunnen noemen, schoon hij uitwendig in de roomsche kerk bleef. En Georgius Cassander een oprecht roomsche erkende, dat de kerk gedeformeerd was en gereformeerd moest worden. Beiden telden onder hun stadgenooten geest> verwanten en vrienden bij menigte.

Wellicht ten gevolge van dat bescheiden optreden der hervormingsgezinden was de magistraat te Brugge jaren lang de heimelijke bevorderaar der Hervorming. De wethouders werden uitgemaakt voor „geveinsde katholieken, dubbele Christenen, lieden met twee aangezichten". Voordat in 1566 een vergadering van Doopsgezinden werd overvallen, werden zij van den toeleg onderricht. In datzelfde jaar deed de tegenstand der stadsregeering de geloofsvervolging van den inquisiteur Titelman voorloopig ophouden.

De Doopsgezinden werden boven alle andere hervormingsgezinden vervolgd, omdat staatkunde en godsdienst hen vreesden als de dwepers van Munster, waarmede zij onbillijk op één lijn geplaatst werden. Welnu, dezen waren in het jaar 1566 „in de stad Brugge wel zeven honderd sterk". Hoe talrijk zullen dan wel de aanhangers van Calvijn en Luther geweest zijn. Voeg daarbij de volgelingen van Erasmus en Cassander, menschen die wel een open oog hadden voor de gebreken in de roomsche kerk, maar die zich vooralsnog van haar niet afscheidden. Nu eens lezen wij, dat omstreeks 1666 de stad van Brugge vol was van Erasmianen, dan weer dat zij vol was van Cassandrianen, zoodat er nauwelijks één geleerd man was, of hij was van „deze Cassandersche lazerije [Lazarusziekte, walgelijke zwerenziekte, zoo

Sluiten