Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den indruk, alsof de Fransche belijdenis, in onze taal overgezet en eerst daarbij van een opschrift voorzien, aan den Spaanschen koning en aan de overheden van Nederduitschland op de een of andere wijs, zoo ongeveer als in Frankrijk geschied was, is overhandigd. Niets is minder waar. De Fransche Confession van de Brés verscheen van meet af, niet met een opschrift maar met een brief aan koning Filips II, welke briefjuist aanvangt met de klacht, dat de geloovigen niet persoonlijk, maar slechts met een stemmeloos request of geschreven confessie voor de koninklijke majesteit zich mogen presenteeren. Vooral ook blijkens het andere de oudste confessie begeleidende schrijven, de Remonstrantie of Vermaning aan de overheden der Nederlanden, is volstrekt niet aan overhandiging der confessie gedacht. Want wie had, en bij welke gelegenheid, aan zoo vele magistraatspersonen de belijdenis kunnen ter hand stellen ? En wat-alles afdoet, in den nacht van 1 op 2 November 1561 is binnen de poort van het kasteel te Doornik geworpen een lang geschrift, door de geloovigen aldaar aan drie commissarissen der regeering geadresseerd, benevens de belijdenis zelve in boekvorm. Ziedaar, zoo men wil, de „vertooning" of overhandiging aan de overheid. Dit verzegelde pakje werd aan de Landvoogdes toegezonden. Kwam onze Nederlandsche confessie, met haar Brief aan den koning, wel ooit Filips zeiven onder de oogen ? Dit gansche stuk geschiedenis wordt door het convent geheel voorbijgezien, terwijl een andere geschiedbeschouwing wordt voorgedragen. De derde fout. Dat een man als Marnix, die twee jaar vroeger te Antwerpen de Nederlandsche belijdenis had helpen herzien; dat Hermannus Moded en de Antwerpsche predikant Georgius Octavius Sylvanus, toen en thans mede tegenwoordig; dat twee en zestig conventsleden zoo vele fouten in de geschiedenis huns tijds en de bepalingen hunner kerkorde indroegen, behoort tot de raadselen van de geschiedenis onzer confessie.

Sluiten