Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sche edelen deed de groote Vlaamsche steden zich stellen onder Gereformeerde magistraten, de Achttien-mannen. Bijna gelijktijdig kwam wederzijds aaneensluiting tot stand. Het verbond van Atrecht, tusschen Henegouwen, Artois en Doornik, bedoelde handhaving van den Roomschen godsdienst. De Unie van Utrecht, in het Noorden, behoud der Hervorming (5 en 23 Januari 1579) J).

In Hoofdstuk VI schetsten wij, hoe Alexander hertog van Parma, even groot staatsman als veldheer, in de jaren 1578-85 geheel België voor Spanje heroverde2). Vooral in deze jaren heeft de Prins van Oranje, onder rusteloozen arbeid en onophoudelijke zelfopoffering, miskenning en teleurstelling ondergaan '). Verdraagzaamheid jegens de Roomschen werd uitgekreten als begunstiging der Roomsche kerk; onderhandeling met Anjou als overlevering aan Fransche heerschappij; en weigering om een voor den godsdienst verderfelijken vrede te sluiten als opruiing van het volk tegen den wettigen vorst, ten einde zelf meester te worden van het land.

Terzelfder tijd had ook Noord-Nederland zijn rampen. De verraderlijke afval van George van Lalaing, graaf van Rennenberg, bracht de stad Groningen in Spaansche handen. De spanning tusschen Roomschen en Hervormden nam daardoor toe. Ook werd de breuk tusschen vorst en

1) Verhandeling/ie van de Unie, eeieich Verbont ende eendracht. Tusschen die Landen, Provinciën, Steden ende Leden van dien hier nae benoempt, binnen die Stadt Utrecht ghesloten, ende ghepubliceert vanden Stadt lluyse den '29 Januarii 1579. Utrecht, Coenraedt Henricksz. z. j. (1850) met wapen van Utrecht op den titel. De acten van toetreding gaan tot 1 Febr. 1580. — Hinlopen, De unie van Utrecht, Utr. 1743. Dr. P. L. Muller, De unie van Utrecht.

'2) G. Dondinus, Ilistoria de Rebus in Gallia (et Belgium) gestis ab Alex. Farnesio Parmae duce III, supremo Belgii praefecto. Romae ll>73.

3) Het was telkens, zooals de Prins klaagt: «Indien God voor ons de stad Kaïnerijk bewaard heeft, behooren wij Hem te danken, want wij hielden ons daarin, als of wij het wilden laten verloren gaan". Die van Gent getuigden in 1584: «het is bijna overal bekend dat al de verhezen ons overkomen zijn, oindat men zijn raad niet tieeft gelooid .

Sluiten