Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ende ghelyck dit van den Dienaren des woordts ende Professoren der Theologie gedaen sal worden". Yan den Dienaren. Dus bij Capittel I onderstelden wij terecht, dat de bepaling van 1574 der onderteekening van de Belijdenis door de predikanten volle kracht behield. Aangaande de theologische professoren schrijven twee capittels III en IV hetzelfde voor. „Ghedaen sal worden" is natuurlijk geen voorspelling of vrome wensch, maar een synodaal besluit op welks naleving men zal aandringen.

Eigenlijk onderteekende iedere Nederlandsche kerk de Confessie reeds door de hand van haar voorganger, den predikant. Niettemin hebben te Emden ook de vijf ouderlingen kerkorde en Belijdenis geteekend. De Dordtsche synode van 1574, de onderteekening door de predikanten stilzwijgend onderstellende, heeft genotuleeid: „Is gliesproocken gheweest dat het nut sijn soude dat oock de Ouderlinghen ende Diakenen de Nederlantsche Belijdinghe onder den artikelen des Synodi onderschreuen . Gelijk we zagen heeft men bij de ouderlingen te Delft, misschien ook elders, tegenstand ontmoet. De synode van 1578, de diakenen verzwijgende, blijft voor de ouderlingen op onderschrijving aandringen. „Soo ware oock goet dat het selfde van den Ouderlinghen gheschiedde". Een duidelijk bewijs, dat men beide malen te Dordrecht dezelfde gedragslijn volgde.

Capittel V „Yan het Houwelick" bevat voor ons doel

niets. . ,

Capittel VI „Van de Kerckelicke Vermamnghe ende

Straffinghe" bepaalt in artikel 93: „Soo dan yemant in de suyuerheyt der leere dwaelde, ofte in den wandel sondichde,... soo sal den reghel onderhouden worden dien Christus duydelick voorschryft Mat. 18 - Dus geen spraak van de Belijdenis. Wel van christelijke zachtmoedigheid. .

De slotbepaling artikel 102 is het eerste besluit der Emdensche synode. „Gheen Kercke en sal ouer andeie

19

Sluiten