Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze landen zijn zou" ')• Wel nu, in de ordonnantie der Heeren Staten van Holland en Westfriesland op de directie van het collegium theologicum, in dato 7 September 1592, bepaalt artikel 5:

„De Regent sal in alle groote vacantien van de Universiteit, de Confessie, of belydenisse van de Nederlandse Gereformeerde Christelicke Kercke, den bursalen [of alumni, inwonende studenten] lesen, en uitleggen" enz.

En artikel 12 schrijft voor:

„Sullen beide, soo wel den Regent, als Sub-regent, in het aannemen van haare officien ... solemnelicken [plechtig] sweeren... de jeugd op te trekken in de Religie, die nu ter tyd in den lande opentlik werd geleerd, en die in de belydenisse der Nederlandse Christelicke Gereformeerde Kercke voornoemt vervat is, en verklaart staat".

Wetten zonder gezindheid om ze uit te voeren zijn doode letters. In zijn eerste tijdvak was het Statencollegie een broeinest der Jezuïeten, later van het Remonstrantisme, of gelijk Gisbertus Voetius het noemde „eene cuyle Jozephs". Eerst sinds de Dordtsche synode was het tot in geslachten „de oogappel der kerkelijken, de ware en oprechte kweekhof van jonge Nazireërs, het voorportaal der kerk, eene schole der propheten''2).

Tegen het eind der zestiende eeuw verschenen, te Dordrecht bij Canin, nog twee klein octavo-uitgaven in onze taal van de Nederlandsche belijdenis des geloofs.

1) Zoo als Grotius aan den regent Gerardus Vossius schreef: «qualis post annos decem aut viginti futura sit his in terris Ecclesia" (Epist. 55, pag. 18).

2) Dr. G. D. J. Schotel, De academie te Leiden in de 16de, 17de en 18de eeuw, Haarl. 1875, I 23—53. De regent moest »in eenigheid in de leer met de gereformeerde kerk staan en tot bevestiging hiervan vóór het aanvaarden van het ambt den catechismus en de canones der synode van Dordrecht, als schriftmatig, onderteekenen".

Sluiten