Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vermaakt, alle twee jaren een gouden eerepenning ter waarde van f 250 geslagen en toegewezen worden aan dengene, die een leerstellig of zedekundig onderwerp derwijze behandeld had, dat de goddelijkheid van het evangelie daarin op het helderst doorstraalde. Een achttal hoogleeraren zou de verhandelingen beoordeelen en den prijs toekennen. Het derde instituut is dat van Pieter Teyler van der Hulst, ontstaan in 1778 te Haarlem. Genoemde vriend der wetenschappen, de geleerdheid tot erfgename van al zijn goederen makende, benoemde vijf bestuurders en een boekhouder, die twee genootschappen elk van zes geleerden zouden oprichten. Het eerste zou zich wijden aan „onderwerpen, de waarheid en vrijheid van den kristen godsdienst en den burgerstaat betreffende". Het andere aan „zaaken, tot de natuurkunde, dichtkunde, historiekunde, tekenkunde en penningkunde betreklijk". De eerepenning voor behandeling van een vraagstuk jaarlijks uitgeloofd, zou een waarde van /'400 hebben.

Evenals in Duitschland en elders traden ook in Nederland nevens het deïsme veel gevaarlijker neologen of nieuwerwetsche leeraars op. Deze nieuwe hervormers wilden gansch onschuldig het gebouw der bij bel waarheid op een nieuwen grondslag, der opklaring en verlichting, optrekken. Metamorphose, gedaantewisseling was slechts hun doel. Gods waarheid, van menschenvonden omhangen, wilden zij weer „eenvoudiger maken '.

Gelijktijdig hiermee viel de onderneming van vele Hervormde leeraars tegen de symbolische schriften '). Men had opgemerkt dat in Zwitserland en Duitschland, met het gezag der belijdenisschriften, de rechtzinnigheid zelve gevallen was. Ook in Nederland moesten dus de

1) IJpeij VI, <110—<159. Examen van het ontwerp van tolerantie, Amst. 1753 C. Sepp, Proeve eener pragmatische geschied, d. theologie in Nederland van 17H7 tot 1858, 3de druk Leiden 1869.

Sluiten