Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijke wijs. De opschriften boven de artikelen der confessie, in 1583 ingevoerd en in 1612 gehandhaafd, ja zelfs de bewijsplaatsen uit de Heilige Schrift, die reeds in de oudste teksten van 1561 en '62 en voorts in alle edities aan den kant voorkomen, liet zij in haar uitgaven weg. Wij weten niet waarom.

Gelet op Jezuïeten en Remonstranten die ik aanvoerde, valt haar besluit kwalijk te verdedigen. Wel beweert Yoetius, dat de bewijsplaatsen toch niet hetzelfde dogmatisch gezag hadden als de confessie zelf'). Doch hun weglating vatte de tegenstander als bewijs van zwakheid op. En voor geestverwanten viel met de schriftuurplaatsen het uitwendig teeken weg, dat de Nederlandsche belijdenis des geloofs is en wil zijn aardsche herhaling van het hemelsche Boek, repetitio Sacrae Scripturae.

Koudekerk (Z. H.) Maart 1913. F. J. Los.

1) Voetius IV, p. 19. IV Quaestio. An omnia in publicis conlessionibus annotata loca Scripturae, et ailducta argumenta, etiam adjecta testimonia patrmn ex intentione autoruin confessionis, aut ex meute et consensu communiutn ecclesiarum, paris sint autoritatis cuin assertionibus ? Resp. Neg. Commentaria in syrnbolum a tlieologis quainplurimis non tantum, sed et a publicis catechesibus conscripta paris authoritatis) non sunt cum ipso symbolo, nee etiam ab occlesiis ullis, quod sciam, ita judicatur; nequidem Pontificii commentaria approbatarum catechesión suarutn, vel celebris illius catechesios ex decreto Concilii Tndenti conscriptae. symbolo ndaequant. Perperam ergo illi [Pontificii] parein autoritateia assertionibus seu articulis confessionis Gallicae, et testimoniis Scripturae ibidem per numeros soluinmodo indicatis tributam. tribuen lam contenderunt. Nihil minus cogitèrunt ecclesiae Gallicae, et confessionis scriptores : et Jesuitae Arnoldo [Jean Arnoux] tale quid objicienti nostri ibidem responderunt. Idem dico de coniessione Belgica ; de qui frustra quaerebat Remonstrantium consider. 9 et 13. Terecht oordeelt W. te Water, Tweede eeuw-getyde 191 v., beredeneerende dat het gezag eener geloofsbelijdenis voortspruit uit Gods Woord: „dat de Opstellers, en Goedkeurders onzer Belydenissen zig niet alleen dikwyls bedienen van de eige woorden der Godtlyke Schriften, maer, daer zy dat niet doen, egter op den kant hebben aengetekent de schriftplaetzen op welken de waerheeden, die zy belyden, gebouwt zyn, en derhalven niet op hun eigen zeggen willen gelooft zyn, maer omdat Godt in zyn H. Woort die Leerstukken heeft geopenbaert, door Wiens Oppergezag zy dezelve aengenaem zoeken te maeken aen de Consciéntiën der menschen".

Sluiten