Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Dordtsche canones zou hij slechts sommigen als goed kunnen onderteekenen. Voorts bleef hij als nog gezind, het gevoelen der Remonstranten te verdedigen. Van materie en schrijfmanier zijner boeken kon hij geen schuld bekentenis doen. De stijl der geletterden, „stylus litteratorum", was nu eenmaal scherp en satyrisch.

De synode verklaarde hem den kerkedienst onwaardig, ontzegde hem de tafel des Heeren, en droeg aan de kerk van Leiden op tegen hem te procedeeren tot de excommunicatie. Onze dichter teekende de acte van stilstand, „int uijtgaen allen ende een ijder in de vergaderinge wenschende een gemoet, dat na waerheijt ende vrede trachtede".

Zijn brief van 7 Juli 1619 aan de te Dordrecht geciteerde Remonstranten, die zoo juist uit het land waren gevoerd, teekent Barlaeus als man van overtuiging. Hij kon niet van meening veranderen. Als zoodanig werd hij in hetzelfde jaar 1619 van zijn subregentschap, eenige weken later van zijn professoraat in de logica ontslagen. Allerlei professoren van niet theologische vakken, en alle Remonstrantsche alumnen van het Staten-collegie werden mede „veriaeten". De andere bursalen of genieters eener landsbeurs teekenden de Dordtsche canones.

In de Goudsche synode van 1620 rapporteeren de gedeputeerden der synode, „dat by de kerck van Leiden, dien de aenspraec Barlei was opgeleit, niets en was gedaen". De vergadering hierover ontevreden, vindt goed die van Leiden als nog te vermanen. En gelast haar gedeputeerden, dat ze die van Leiden de hand zullen bieden, „maer ingevalle sy haer devoir niet en deden, dat se deselve tot haer ampt sullen porren ende vermanen".

De Rotterdamsche synode van 1621 vernam met voldoening, dat Barlaeus door den assessor der vergadering Festus Hommius en een Leidschen ouderling vermaand was. Van schuldbekentenis bleef echter geen sprake. Barlaeus had de acte van stilstand geteekend en gedroeg

Sluiten