Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan een van staatswege aangesteld, in detailstudies verdiept professor.

Ik kwam naar Berlijn terug en de wond was geheeld: de zuiver persoonlijke vriendschap was sterker geweest dan de breuk tusschen leeraar en leerling. Ik bleef nog altijd de jongere, die leerde, hij de oudere, rijpere. Maar evenals in mijn vereering voor hem geen dood punt gekomen was, zoo begon hij nu ook mij te achten als een, die wel is waar niet meer zijn voetsporen drukte, maar toch op ander terrein zijn man stond. Zelfs hadden we spoedig weer een soort neutraal terrein gevonden, dat ons te samenvoerde : ik werd zijn bijzondere heraut, die voor natuurwetenschappelijke verhandelingen in populairen trant voor een paar groote bladen materiaal van hem betrok, waar geen enkele kollega van de dagbladpers in die mate over beschikken kon. Hij zei wel eenmaal half knorrig: «Ge zijt een dwaas, dat ge meedoet aan dat domme populariseeren voor Jan, Piet en Klaas, voor wie ieder watersoepje goed genoeg is, terwijl ge zelf op dit gebied scheppenden arbeid kondt verrichten!» Doch ik meende voor me zelf de zekerheid te hebben, dat hij zelf in stilte behagen vond in dit soort ridderdienst en hem niet eens meer had willen missen. Ook hij kende mijn verjaardag slechts bij toeval, ik denk uit het vita om mijn doktersbul. Het was toch aardig van hem,dathij van zijn zoo spaarzamen arbeidstijd de minuutafnam om aan den jonggezel daarginds in Moabit een regeltje schrift te zenden, waarom een handschriftverzamelaar heel ver zou hebben willen loopen.

En nu kreeg het vouwbeen het mooiste werk te doen: den brief open te maken, waarin de beide trouwste harten uit de heele wereldstad tot mij spraken als tot een eenvoudig gemoedsmensch. Een jonge man en een jong meisje, broeder en zuster voor elkaar en voor mij, voor het tegenwoordige tenminste, de beste vriend en. . . nu, laten we zeggen de vertrouwelijkste vrouwenziel, die ik tot dusver ooit platonisch voor me gewonnen had, en mettertijd naar alle waarschijnlijkheid mijn bruid.

Ik had pas in me zelf overpeinsd dat het leven in zekeren zin een wild ontvluchten aan de wereld was, een altoosdurende verandering van droomers in asceten, een onophoudelijk zich redden van enkelingen op een of andere plank, waarop zij een paar korte jaren boven water konden blijven. Voor mijn besten vriend Edmond Thaler was dat groote kunststuk wezenlijk heel wat moeielijker geweest,

Sluiten