Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en ideeën zijn — hier vroeg ik: «wat nu verder? waarheen?» Groeide ook voor mij nog jong groen, schaduwrijk en hoopvol uit het zwaar beladen oppervlak van den geestesstrijd? Of was het werkelijk mijn lot, eenzaam en gelaten in het eenige, laatste weten der wereld voort te leven, het weten, dat onder ons tijd en verleden, het zijnde en ons eigen bestaan tot op dit uur, daar ligt als een dood, koud blok marmer, door onzen voet getreden; en dat over ons niets straalt als een leege, schaduwlooze hemel, ledig van weten tot in alle eeuwigheid, waarachter de ontzaglijke Goden der natuurkrachten tafelen der wet stellen, waarop niets geschreven staat dan getal op getal, niets van menschenliefde, menschensmart . . .

In wonderlijke, blauwe runen ging de sigaren rook door 't lichte vertrek, nu als kring, dan als wolk, dan weer wegzwevend in doorzichtige, onwezenlijke schemering. De klok tikte aan den muur; in 'tglinsterend kooitje aan het venster verdrongen zich de kleine bonte vogeltjes, en bewogen zich soms zacht, als in den droom, wanneer een der groote, groene blaren van de bloementafel, door den wind bewogen, langs hun tralies streek. Heel uit de verte klonk, met lange tusschenpoozen, een wegstervend hameren en dreunen van balken en geroep van timmerlieden, uit een in-aanbouw-zijnd huis.

De wijzer ging al sneller voorwaarts, de huizen rezen omhoog, en het vredig leven dezer planten en vogeltjes ging, onder de liefdevolle verpleging der menschen, onbekommerd verder, zijn weg, die feitelijk stilstand was. . .

Sterker greep de wind in de blauwe nevelwolken der havanna, het was een dwarrelen, een omhoog-dampen, strijden en uit-elkaar-scheuren daarin, als in de geboorte eener wereld. Nog een kring, en nog een ... de eerste verwijdt zich, nu heeft hem een andere bereikt, die juist uit den mond is gestooten . . . hij gaat er doorheen . . . een dol kunststuk uit een circus, zoo'n kringetje rook, zou dat een levensbeeld, een toekomstbeeld zijn?

De wolkjes trokken weg, het eindje sigaar brandde vlak bij mijn vinger. Het windje was gaan liggen, de bladeren verroerden niet meer, een wijle was het heel stil, plechtig stil.

En voor den derden, laatsten keer, verscheen mij het getal dertig, nu niet als het einde van wat voorafging, niet als begin van wat komen zou, het was nu de wijzer, die morgen van avond scheidde, de vermanende wijzer van het leven, die op middag stond.

Sluiten