Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zelf wendde ook nog allerlei pogingen aan: ze wilde dat ik haar het thema voor een nieuw opstel zou toelichten, haar gezangen zou overhooren, allerlei prettige corveés, waarbij ik wist dat de heer schoolmeester zich uitstekend zou amuseeren. Maar dat onmensch van een Edmond, onbehouwen als alle broeders, en, waar tijd en een gegeven woord in 't spel waren, onverbiddelijk stipt, echt «Hirsch en Levisohn», had reeds zijn verwenscht horloge in zijn hand en verklaarde alleen nog maar een andere jas te willen aantrekken en dan met mij te zullen opbreken. Nu verstoutte zich het lieve, verliefde schepseltje ten minste nog een laatste poging te wagen. Toen ik mijn handschoenen wilde aantrekken om voor m'n vriend, die reeds in zijn hemdsmouwen stond, op bed een plaatsje in te ruimen voor zijn daagsche jas, voelde ik een naar gebak ruikend keukenhandje op m'n schouder: — Zeg, Wilhelm — als jullie er nu toch vandoor gaan — die paar steken doe ik er later nog wel aan, — kom maar eens mee, dan mag je het nu al zien, het is niet zoo heel groot, maar ik had ook zoo weinig tijd. . .

Zij had mij bij deze woorden, waaruit logisch niets op te maken viel, dan dat zij met den besten wil geen drie uren meer wachten kon vóór mij met het geschenk te verrassen, tamelijk energiek meegetrokken naar haar kleiner heiligdom daarnaast, waar de plechtige overhandiging moest plaats vinden. Juist ritselde het zijdepapier, waarin een langwerpig, niet al te groot voorwerp gehuld was, onder haar smalle vingertjes, toen de deur van de kamer daar naast door een trap van een onzichtbaren voet zóó krachtig dichtgeworpen werd, dat daaruit duidelijk te hooren was: Niet binnenkomen, ik wil nog van een ander kleedingstuk dan de jas verwisselen.

Een licht blozen — meer van het ijverige uitpakken, dan van verlegenheid — een oogopslag vol verwachting — en «ik had het dan eindelijk in handen.» Zeer vereerd, een heel nuttig voorwerp! Sinds geruimen tijd toch voerde de voering van mijn jas- en mantelzakken een hopeloozen strijd met de harde metalen punten van de sleutels van mijn huis en van mijn portaal en de gevolgen daarvan kwamen in den vorm van gaten, die ten slotte geen vrouwennaald, hoe behendig ook gehanteerd, meer overmeesteren kon. Hier had ik een stevig leeren taschje, waar mijn sleutels in pasten en dat aan ééne zijde versierd was met een fermen W. in borduurwerk.

Sluiten