Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij wendde zich naar mij en keek me een oogenblik vast in de oogen.

— Stellig, heer doctor. Ik ken dit individu, dat zich nu eens zóó en dan weer anders noemt, nu al acht jaar. Ik heb hem zonder dat hij het weet in den laatsten tijd zorgvuldig in 't oog gehouden bij al zijn nieuwe kunstreizen. Ditmaal zal hij mij niet ontsnappen. Onze beste Alsen bewijst de menschheid heden een grooteren dienst, dan hij misschien wel denkt.

Fedor maakte eene gebaar als wilde hij zeggen: — Hoort naar dien man, die meer van deze dingen weet, dan wij allen te samen. Ik dacht: — Een dienst aan de menschheid? Een oude, gekke generaalsweduwe is toch naar ik hoop de heele menschheid niet? Maar zoo'n uil meent aanstonds dat hij de spil der wereld draait, wanneer hij een of andere domme streek met zijn allerhoogste tegenwoordigheid vereert.

De graat wilde het toestel nog verder onderzoeken, toen er opnieuw gebeld werd. Er konden nu gasten komen, die niet ingewijd waren en dus verwijderden we ons zoover mogelijk van de portière. Het vreemdsoortige milieu, de spanning, wat er wel eerst gebeuren zou, de gedwongen ernst, dién men zich moest opleggen, terwijl men inwendig zijn lachlust haast niet bedwingen kon, dat alles te samen had gemaakt dat Edmond en ik als 't ware aangestoken waren door Fedors zenuwachtigheid. De graaf alleen bleef volkomen rustig, hij overzag het slagveld met het gelaat van een veldheer, die voorloopig slechts als toeschouwer uitgenoodigd is, maar die als het moet, wel handelend zal ingrijpen.

De vleugeldeur werd wijd opengeslagen — hare excellentie zelf.

Ik zag een langen, huilerig-nijdigen neus, typisch die van een ouder wordende, rijk met kinderen gezegende, armoelijdende predikantsvrouw; boven dien neus flonkerde een lorgnet, terwijl de nietige, wrakke gestalte zich naar beneden, zonder boezem of taille, verloor in een vormloozen wirwar van ritselende zwarte zijde en wemelende kanten. De gestrenge vrouwe leunde op den dikken arm van een eveneens reeds vrij bejaarde gezelschapsdame, die blijkbaar bij de neuzenverdeeling evenveel te kort gekomen was, als haar gebiedster te veel gekregen had. Toen Fedor dadelijk daarna als een galant zoon de oude met eenige inspanning op een stoel plantte, haar een voetenbankje onder de kleine laarsjes en een kussen achter den vermagerden rug schoof, kwam hij

Sluiten