Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mi] daarnaar te vragen. Zooals mijn voorvaderen gedaan hadden, wilde ik ook doen: eerst een in alle mogelijk smerig genot - vrouwen, drank, sport - doorgeboemelde jeugd, en dan met een of andere domme goede vrouw een zoo philisterachtig mogelijk verder leven op het land. Eén groot tijd-doodmaken met voorgeschreven wereldbeschouwing ten op zichte van politiek, zoowel als van moraal, waarin de vraag: wat dit leven toch eigenlijk wel is? heelemaal ondenkbaar scheen. De hemel weet, waarom ik met hersens gezegend werd, die bij dit alles niet pasten. Weliswaar maakte ik de inleiding tamelijk korrekt door. Ik liet me gewillig meesleepen in den roes van het mondaine leven met veel geld onder zeer geldbehoevende kleermakers, lichte dames, restaurateurs en direkteuren van wedrennen; als ik moraliseerend wou spreken, zou ik kunnen zeggen: geen zonde bleef mij vreemd. Maar waarheid is het dat die dingen me nooit als zonden toegeschenen hebben, noch toen ter tijde, noch later, een korte tusschenpoos uitgezonderd. Toenmaals schenen ze me alleen uiterst gewichtig toe, nu vind ik de meeste onzegbaar vervelend; dat is het gróote onderscheid. Doch ik merkte toen al heel spoedig iets op wat me onderscheidde van de meerderheid van mijn goede in hun soort héél gelukkige kameraden. Ik was van nature eigenlijk niet aangelegd om alleen maar genot na te jagen. Het eenige, wat mij toenmaals misschien nog had kunnen boeien, de strenge, ernstige militaire dienst, werd mij vroegtijdig afgesneden, door een toeval, een kwetsuur aan den linkerarm bij een ongeval tijdens de jacht, die mij onbruikbaar maakte voor den dienst. Voor het overige merkte ik een zeer vreemd verschijnsel in me zelf op. In één woord gezegd, ik dacht bij alles te veel na. Eenerzijds had ik de koude, egoïstische wereldbeschouwing, die uit onze moderne opvoeding volgt, vooral wanneer daar nog aristocratische opgeblazenheid bij komt. Een vrouw stond voor mij lager dan een goed paard; het oppervlakkige, femelende moraalgeklets bestond voor mij evenmin als het kerkbezoek. Maar ik had bij al deze praktische nuchterheid toch weer niet dien idealen doezel van mijn vrienden, de oppervlakkigheid, waardoor ze een vrouw, die ze morgen met de hak van' hun laars de trap af zouden helpen, heden in hun roes als een wezenlijke godin konden aanbidden.

Voor mij waren die vrouwen, die door den golfslag des levens uit de donkere diepte als schitterend schuim van net oogenblik in onze sfeer omhoog geslingerd werden,

Sluiten