Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik was niet in mijn vaderland zelf teruggekeerd, doch ik leefde weder onder mijn werkelijken naam in Europa. Ik was van de partij vervreemd. Ik bewoonde een eenzaam tuinhuis in een Parijsche voorstad, ver van alle drukte der wereld. Ik las veel in dien tijd. Ik maakte mijn ontwikkeling, die, zooals ik naderhand merkte, toch wel wat geleden had onder die aldurende drijfjacht van dagelijks moeten schrijven en spreken, grondiger. Ik keek in alle mogelijke vakken van wetenschap rond met andere oogen dan eenmaal als student: met die van een rijperen man. Tien jaar lang had ik de menschheid bestudeerd als een stormachtige, gistende massa, als een sociaal probleem, vol verwachting en smart; nu gevoelde ik in mij een drang het stille pad van den geneesheer te bewandelen. Ik verdiepte me nu in de moeielijke vragen en theorieën der physiologie. Als een eenzaam jongere te midden zijner boeken, drong ik door tot in de diepste kern dezer onderzoekingen; ik leerde zelf verstaan en onderzoeken, wat ik vroeger niet dan uit de tweede hand bekomen had: de duizend nietige draadjes, waaruit het reusachtige web saamgesponnen is, dat men de «mechanische wereldbeschouwingi noemt — het fijne waarnemingsarsenaal van de exacte psychologie en psychophystiek, de kleine cijfertjes, die zich tot sommen, tot feiten en tot wetten ordenden ook in het geheime mechanisme der hersenen, en die eindelijk bijna tot de stelling geleid hadden: de ziel is slechts een functie der materie, ze is een inwendige afspiegeling der kracht onder bepaalde modulaire verhoudingen, die uitdooft, wanneer de krachtcentra verschuiven, wanneer de moleculenpyramide ineenstort. En op de korte dagen, die pijlsnel voorbijvlogen onder den arbeid van het steeds toenemend begrijpen en zelfonderzoek, volgden weer lange, lange nachten van slapeloos peinzen over het geziene, van rusteloos vastknoopen van vroegere levensbeelden aan de tegenwoordige studie. In die lange nachten hoorde ik weliswaar dien bangen smartkreet van dat eene wezen onder de raderen, voor mij het symbool van allen geworden, nog altijd van verre tot me komen. Maar daar tusschendoor klonk een andere stem, die tot me sprak: is niet ergens, op een of ander nietig, over 't hoofd gezien plekje een fout in de geweldige berekening van den natuuronderzoeker? Zou er niet juist in het naakte weten ergens een punt zijn, dat onder het goede licht gesteld, snel een goeden, vasten troost geeft, juist uitgaande van het natuurlijke beeld der wereld? En ik voelde dat die tweede stem juist voortkwam uit mijn toenemend be-

Sluiten