Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE BOEK.

I.

e trein zette zich in beweging. Ik had mijn hoofd slaapdronken tegen de hoekkussens gelegd. De nacht deed nu ten laatste toch nog zijn rechten gelden, hoewel de

zon reeds hel over het landschap scheen. Maar een vaste slaap werd het niet meer. Tusschen wonderlijk goochelspel van half gedroomde beelden, reminicenties uit het verhaal van den graaf, verder spinnende en zich in het donker der bewusteloosheid verliezende gedachtenlijnen, kwamen telkens weer oogenblikken, dat een bijzonder harde stoot der wielen me voor een oogenblik wekte. In den beginne zag ik in zulke oogenblikken van snel opzien daar buiten, achter het smalle coupéraam, altoos weer hetzelfde brok wilde pijnboomenwoud,roode stammen, waarboven de grauwachtig groene naaldkronen als een soort wolligen, vormloozen nevel zweefden; hier en daar was er eens een schuchter strookje lucht tusschen, waardoor de van het oosten opgloeienden dag in den nacht van het woud glom. Namen van vreemde stations, waarvan ik nooit gehoord had, klonken mij in de ooren. Toen na een oogenblik heel vasten slaap, vertoonde het landschap plotseling een heel ander karakter.

De trein had de zandige Mark met haar gordel van naaldboomen verlaten. Hel, vochtig groen straalde nu zijn smaragden licht naar binnen, somwijlen doorsneden van den blauwen spiegel van een lijnrecht getrokken kanaal of de ruig-bruim' vlek van een dak, dat naar onderen in het struikgewas verdween, en dat met zijn boven de vorst gekruiste houten toppen in de verte bijna eruit zag als een harig gedrocht met dreigend gewei, zooals die in de zwarte moerassige bosschen uit den sagentijd geleefd hadden.

Dat was het begin van het Wendische Spreewoud, van

Sluiten