Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de zon schitterde. Zwart-blauwe waterjuffers trilden rusteloos nu hier, dan daar over de vochtig gele, vettig glanzende boterbloemen van den oeverzoom. Waar het oog bij een kromming weer een nieuw stuk weideveld kon overzien, stiet het op een golvend tapijt van intens rozerood, gekleurd door de purperen stengels van de zuringplantjes. Zilveren vischjes schoten snel door het water, een sijsjespaartje baadde vertrouwelijk in een klein bochtje, aan welker helling de zwarte veembodem op vele plekken bloot lag. Heel in de verte, waar nu en dan in den zwevenden morgennevel een lage woudzoom opschemerde als een geheimzinnige groet van het achterliggende land, klonk de eenige stem in dit heele landschap, — maar ook zacht, vervloeiend — de koekoek. Zoete idylle, deze eerste morgen in het Spreewoud! Nog heden ligt ze in mijn ziel als een lieve openbaring. Ik had het gevoel, als trok ik weg uit een wereld van onrust naar een land van volkomen vrede. En toch was het de stormigste reis mijn levens. De tijd zou komen, dat ik bespeuren zou, welk een branding er onder dezen heiligen Godsvrede der natuur voor mij raasde.

Een kruis onder rozen.

En toch omzweeft haar geur mij nog en laat niet af van mij. . .

Na een poos veranderde het tooneel en kwamen we aan een dorp. Maar een heel eigenaardig soort dorp. In plaats van straten, beschaduwde kanalen, onder een dak van groen; ieder huis was daar een wereld op zich zelf, een apart eiland, met booten in de haven voor het verkeer. Grauwbruin, ruig uitgerafeld en lomp keken de reuzendaken der afzonderlijke boerderijen op ons neer; onder de diep naar beneden komende, ruwe strooranden waren kleine, nauwelijks zichtbare venstertjes, waarnaast gespleten elzenhout hoopsgewijze opgestapeld stond, een breede zilverglanzende wilg, een eenzame zwarte den verhieven zich op het erf boven de lage vruchtboomen, als gedenkteekenen uit overouden tijd; achter de openstaande staldeur bewoog het vee, dat nooit buiten kwam en waarvoor het voeder in booten aangebracht werd; overigens vernamen we geen enkel geluid, alles lag daar als uitgestorven, als waren deze huizen zelf niets door stomme voortbrengselen der weelderige natuur, een soort paddestoelen, op de moerassige weiden opge-

Sluiten