Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar leven en haar ontmoeting met den graaf. En het scheen, dat onze gedachten elkaar ontmoet hadden, de graaf nam het woord, juist toen ik hem wilde vragen; het was een van die toevallige zielskontakten, zooals die duizendmaal in het leven voorkomen en waarvan ik toen nog niet wist, dat de spiritistische leer er een mystieke beteekenis aan geeft. Uitgaande van het punt, waar hij in de vroegte zijn rede geëindigd had, schilderde hij mij nu het beeld van zijn kleine villa te Asnières bij Parijs, waar hij tijdens zijn studies en nadenken als een echte kluizenaar geleefd had. Ik kende dat kleine stadje, dat zoo juist op de grens ligt tusschen de landelijke rust en het tumult der groote stad; het stadje met zijn stille, bescheiden zijstraten, waarin villa naast villa stond: villa's achter boomen wegschuilend, zorgvuldig door groote witte tuinmuren afgesloten van de hobbelige, met kiezel bedekte «avenue», in welker nauwe, enge salons, waar pianomuziek klonk en geur van bloemen en parfums hing, zich de dolste histories, de heele Boccaccio van de Parijsche coulissenwereld, afspeelden. Een dolle, oudere kollega van me had daar gewoond en begroef zich er met vrouwen, champagne en geestelijken onvrede, naar lichaam en ten slotte ook naar ziel. Ik dacht aan menigen fideelen nacht, aan een winterhemel, fonkelend van sterren, waaraan, boven Parijs, de gloeiende adem van duizenden lantarens opvlamde als een groot, stil Noorderlicht; ik dacht aan allerlei dwaasheid, schuimbellen, wegvliegend koolzuur van jeugdigen overmoed ...

En daar dus, wellicht achter een van die kale muren, waarop ik 's avonds zoo vaak het maanlicht had zien glanzen, terwijl zwarte, trillende boomschaduwen er spookachtig langs heen en weerkropen — in een dier lustige avenues, waar overdag de boerenkarren ratelden en 's nachts, wanneer het landschap doodstil daar lag, gelijk het Spreewoud hier, en nog slechts iets van den groven, gezonden geur van de verstrooide meststoffen uitademde, de zoetste en domste aller mondaine dwaasheden, de buitenechtelijke liefde, achter Perzische portières en ritselende Makart-boeketten haar sneeuw en haar rozen vond,... daar had zich in dien zelfden tijd het eerste bedrijf afgespeeld van het grandiose, raadselachtige spel, waarvan ik het laatste nog heden zou aanschouwen! Hoe wild het toeval zijn draden toch dooreen weeft! Ja, ik kende de «avenue Pinel» zelf, die de graaf mij noemde, en weinig scheelde het of ik had ook de beide huizen gekend, waarin het blinde dobbelspel van het noodlot

Sluiten