Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onopzettelijk theatrale wijze, waarop de eene ster na de andere van den hemel voor mij opdook, lag iets wat me

vroolijk maakte.

Maar in ieder geval, hoe krankzinnig de mysteriën van deze plek ook mochten zijn: een schooner tempelpark had men er niet bij kunnen zoeken. De oude tuin-kunstenaar, die hier zijn staf gezwaaid had, had zijn meesterstuk gewrocht door de wijze, waarop hij partij getrokken had van den moerassigen bodem en hoewel het park misschien een koortsnest was, het was althans een paradijs zoo op 't oog. De weelderige boomkruinen boven de smalle paadjes vierden ware orgieën van onuitwarbare inéénslingeringen, donkerroode bloedbeuken en zilvergrauwe wilgen waren met lichtgroene Amerikaansche eiken- en tulpenboomen samengeweven door hopguirlanden en lenige kamperfoelie; gouden regen en jasmijn stond in dichte bossen tusschen de stammen geperst boven een net van kruipende klimop; daarnaast stonden weer de roode kerstkaarsjes der kastanjes, die zware schaduwen wierpen op het dikke mostapijt, waaruit wilde meiklokjes en groote, spookachtig vreemde orchideeën opsproten. Hier en daar stond een pikzwarte bank van knoestige eikentakken als de troonzetel van een doode; een groen geworden zwerfblok in den vorm van een heidensch offeraltaar; een halfdonker priëel uit welks koele schuilplaats voor verliefden zwermen muggen gonzend opwarrelden. Dan op eens weer een uitzicht, waar tusschen het dichte gebladerde de stille, zonnige weide aan den overkant van het kanaal met haar enkele verstrooide elzenboschjes, haar bruine hooischelven en het reusachtige afsluithek: het echte moeraswoud op den achtergrond, zichtbaar werd. En als het groote, droomerige hart van dat geheel lag midden in een met riet omkransd meer, waarvan alleen het midden niet overschaduwd was, en waar. uit de diepe weerspiegeling van den hemel, de sneeuwwitte en donkergele waterlelies als teere handjes en gouden lokken van verborgen nixen naar boven trilden en naar den oever schenen te wenken.

lil zulk een phantastisch natuurtafereel paste een schoone, van geheimzinnigheid omgeven vrouw. Ik stelde ze mij, terwijl we onder het lokkend geroep van den koekoek en het kirren der tortelduiven in deze vochtige moerasatmosfeer, zwaar van geuren en van insekten doorgonsd, naar haar zochten, ten naaste bij zóó voor: de trekken ongeveer zooals ik ze kende van de photographie, het overige samengesteld uit allerlei

Sluiten