Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog even vertraagd was, doordat wij rechts insloegen en zij, die een pas achter ons was, heel kalm naar links wandelde, waarheen wij haar dus wel moesten volgen, drentelde zij met haar bizonder luchtigen, studentikoozen gang, altoos drie pas van haar buurman af en met haar kleed hakend aan alle vooruitstekende struiken, naast ons naar het slot toe. Eens wendde ze, terwijl we nog op het half-duistere, overschaduwde pad waren, vluchtig het hoofd naar mij om en vroeg: — Roeit ge ook, heer doctor?

Ik antwoordde bevestigend, waarbij mijn onhandig omspringen met het bootje mij tot eenige reserve noopte; zij lachte ietwat snibbig als een groote bakvisch.

— Zoo! Dat is nu juist mijn grootste amusement. Dat zou er mooi uitzien als Lilly hier niet zelf kon roeien!

Dat «Lilly», dat objectiveeren van het eigen ik, leek mij in de hoogste mate karakteristiek. In ieder geval was het psychologisch raadsel daar vóór mij, een zeer ingewikkeld. Kon dit wonderlijke schepsel zulk een macht gekregen hebben over een kring fijn beschaafde mannen, met helderen, vorschenden geest? De graaf had een bekoring op mij uitgeoefend voor ik nog wist, wie hij was; hier scheen het juist omgekeerd te zijn.

We traden het huis weer binnen en zetten ons aan tafel. De kleine Fran<;aise dook weer op, maar hield zich nu heel bescheiden op den achtergrond. Alleen de zwartbruine duiveltjes in haar oogen lieten niet van mij af, zonder dat dit vuurwerk mijnerzijds sterk beantwoord werd. Het andere paar vrouwenoogen boeide mij veel meer en deze namen met voordacht geen onzer tot doel, mij wel het allerminst.

Over het geheel heerschte er aan tafel een voorname, onschuldig vroolijke toon. De vier ridders van het Spreewoud gaven zich alle moeite om hun gast te onderhouden en te gelijkertijd de dolle, onvoorziene in- en uitvallen van het groote, volboezemige «enfant terrible» Lilly zoo goed ze konden dragelijk te maken. Toen dit eens werkelijk maar heel moeielijk ging, zei de graaf met zijn beminnelijksten glimlach tot mij: — Miss Jackson heeft heden haar gevaarlijken dag, waarde vriend, ge zult haar ook nog van een heel andere zijde leeren kennen, daar kunt ge opaan. En de kapitein voegde daaraan met een gezicht, waaruit men niet kon opmaken of hij in ernst of schertsend sprak, toe:

— Mejuffrouw zal met de jaren nog wel eens even zacht worden, als de zieneres van Prevorst, die Justinus Kerner waargenomen heeft.

Sluiten