Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een mij totaal vreemden klank in de stem. Het eenige wat flauw deed denken aan Lilly's gewone manier van spreken, was het Engelsche accent. De stem had ook voor mij, die er niet (zooals ongetwijfeld met den graaf het geval was) iets bekends, dat zoete herinneringen opwekte, in vond, een betooverende bekoring. Ze scheen uit een geheimzinnige diepte te komen en toch, als het stamelen van een die droomt, heel vooraan op de lippen te zweven. Enkele woorden bleven zoo onduidelijk, dat men ze nauwelijks verstond.

— Je bent bleek, Otto, zei de onder den doek onzichtbare mond met vleiend zoeten klank. — Je werkt te veel. Doe dat niet. Nelly is bezorgd over je. Ze was gisteren bij je, toen je nog zoo laat in je kamer op en neer liept. Maar ze kon niet met je praten. Otto, Otto, je gedachten waren weer zoo ontstuimig. Waarom toch? Alles komt wel, maar je moet wachten. Weet ge niet meer, wat je me toen gezegd hebt? Op dien Zondag — toen we dat uitstapje naar buiten maakten — toen ik dat blauwe kleed droeg. . . .

Ze sprak verder, noemd e datums, gaf beschrijvingen van plaatsen en gebeurtenissen, waarvan ik de juistheid niet onderzoeken kon, maar die den graaf ten zeerste schenen te ontroeren. Hij greep meermalen naar haar hand, die zij steeds zacht terug trok, tot hij er ten slotte treurig van werd en geen moeite meer deed.

Ik begreep volstrekt niet, waar Lilly, wier geschiedenis de graaf mij verteld had, de bijzonderheden vernomen kon hebben om op deze manier de rol van een vreemde, reeds lang gestorven vrouw te kunnen volhouden.

Zoo lang het gesprek duurde, was ik buiten staat ook maar een enkele klare gedachte te vormen of mijn krachten bijeen te rapen voor een of andere handeling. Het gevoel, dat hier een bedrog plaats greep, werd voor 't oogenblik terzijde geschoven door het zuivere meevoelen van wat zich voor mijn oogen afspeelde. De scène werd hoe langer hoe treffender voor iederen toeschouwer, zeifs voor den ongeloovigste. De sterke, trotsche man, waarvoor wij den graaf kenden, streed een oogenblik heftig tegen de ontroering, die hem overmeesterde, toen — op eens — werd die toch sterker dan hij — hij snikte luid — viel voor den geest op de knieën. — Nelly, mijn Nelly. . . .

Grooter, statiger stond de geheimzinnige vrouw op dit oogenblik vóór hem, zij legde beide handen op zijn grijzende lokken — in haar heele wezen lag vluchtig iets als triomfee-

Sluiten