Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

navorschersgeest, die slechts feiten erkent, maar zich voor de feiten ook onvoorwaardelijk buigt.

Wanneer Edmond in datzelfde oogenblik gestorven was — en daaraan twijfelde ik niet — dan stond ik tegenover een feit, dat ik niet ontloopen kon. Ik voelde mij hulpeloos als een kind, maar oneerlijk kon ik niet zijn.

En altoos weer liep ik voor die boeken heen. Het eene uur na het andere verstreek: ik dacht niet aan slapen in dezen nacht. Mijn ziel klemde zich vast aan het licht der lamp, als ware die heldere schijn nog een laatste troost. Tenslotte dreigde de huiverende angst me weer aan te grijpen, ik rukte een venster open en liet de frissche nachtlucht binnen.

Groenachtige wolken joegen aan den hemel, de schijf der maan, door een dak verborgen, goot een bleek licht naar omlaag. De acacia's beneden ruischten dof. Van uit de verte dreunden over de zwarte, zwijgende voorstad de rustelooze machines in de fabriek van Borsig. Op het goederenstation stieten de buffers van twee wagons met een harden, lang naklinkenden slag tegen elkaar.

O, was er nog geen leed genoeg in deze eeuw van ijzer en van maatschappelijke ellende, in deze harde, van metaal kletterende eeuw — moest de zwakke ziel van den modernen mensch ook nog weer uitgedreven worden naar de onrustige droomen der mystiek? Wel had ook ik meermalen gemord tegen het bronzen systeem van het getal, tegen de leegte van een eeuwig draaiend en gonzend, harteloos mechanisme. En toch scheen mij nu daarin de laatste troost. Liever een gevangene in een rammelende ketting dan een doodmoede zwemmer op de open, onmetelijke zee, waarin onder de golven, die toch reeds verkillend tot in het merg der beenderen drongen, nog duizend demonische monsters sliepen, wier verschrikking reeds verlamde voor hun tand ons nog aangreep.

Ik ging voor het venster zitten en steunde het ijskoude voorhoofd op mijn hand. Op eens, als een onmacht, beving mij de slaap. Maar het was geen verlossende rust. Een vreeselijke nachtmerrie benauwde mij: in het begin scheen het een reusachtig zwart monster, een soort sfinx met fonkelende oogen, waaruit lange, blauwe lichtstrepen kwamen. Toen werd de verschijning geheel en al een vrouw, Lilly. Zij drukte haar knie op mijn borst, steeds harder en harder.

Ik steunde en ontwaakte. Mijn hoofd was op zij ge-

Sluiten