is toegevoegd aan uw favorieten.

De godin van het licht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die dit inzag, niet het recht zich van haar af te keeren? Ik was heden zulk een soldaat geweest — en ik had er reeds mijn loon voor ontvangen.

Maar nu, bij het zien van deze werkelijke soldaten, gevoelde ik dat de discipline der naar waarheid trachtende wetenschap toch iets anders, iets oneindig verschillends en van oneindig hooger gewicht zou moeten zijn — de discipline dezer legioenen in dienst van het ijzer.

In den strijd om de wetenschap waren er geen rangen, geen veldheer en geen gemeen soldaat. Wij moesten niet zweren bij den naam van dezen of genen professor, maar bij onze eerlijkheid, bij de waarheid zelf alleen. Die waarheid, die ik trouw gezworen had, kon ik dienen ook zonder den man, die heden de poorten van zijn tempel voor mij dicht gegrendeld had — het zou misschien nu een zwaardere dienst worden, maar het was toch een dienen, terwijl de soldaat daar beneden niets was zonder zijn aanvoerder.

Zwart, in een onafzienbaar mengelmoes nagolvend, had de profane menigte beneden zich weer saamgesloten achter de verder ratelende pantserslang; het wagenrumoer, dat een oogenblik verstomd was, brak sterker, oorverdoovender weer los, weer vloog het stof in witte kolommen op. Dichterbij kwam nu echter het zware onweersgordijn daarboven, enkele vooruitfladdererende zwarte wolken legden zich met breeden vlucht vóór het blauw van den hemel; boven heel de witte stoflijn van de laan groeide iets aan als een schaduw, als een met reuzenschreden voortgaande spokenschaduw.

De eerste bliksemstraal flitste. Toen zijn zwavelvuur weggevlamd was, scheen het alsof een onzichtbare hand in den mierenhoop daar beneden gegrepen had, zoo angstig nam het gewemel er in toe. Tallooze donkere regenschermen maakten vlekken tegen het wit van den weg. Ik trad van het balcon terug in de bedompte zaal, maar week niet van het venster.

Mijn blik dwaalde nu juist naar dien wolkennacht daarboven. En toen daar bliksem na bliksem flitste, toen in de altoos geweldiger donderslagen het rumoer van de straat wegstierf tot een zacht gemurmel — toen kwam een gevoel van totale verlatenheid in mij op. Ik zag niets dan dien blauwen en groenen glans, die de vensterruiten als 't ware in licht deed wegsmelten, hoorde slechts het geweldige bazuingeschal, waarvan het heele huis dreunde en de ruiten rinkelden. Ik gevoelde me alleen met mij zelf en de natuur.

Alle geredeneer over de wetenschap verstomde, gelijk het