is toegevoegd aan uw favorieten.

De godin van het licht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeehond — neen, maar — wilt u dien heelen tocht zoo in éénen afleggen? — Weet u, dat het nog een paar uur ver is en dat het blijft regenen tot morgenochtend?

— Kan men hier ergens de reis onderbreken?

— Natuurlijk!

— En waar dan wel?

— Waar? Hier in het dorp. Hé, schipper, leg bij de herberg aan, je weet wel — ik kom na.

Met eenige uitspanning draaide ik in mijn hooinest mijn hoofd om, om te zien wat dat korte bevel wel voor uitwerking mocht hebben op mijn ouden bootsman.

Deze nam in weerwil van het slechte weer groetend zijn hoed af en volgde ernstig haar bevel op, zonder een woord tegen te spreken. Stellig kende hij de schoone slotnix.

In de volgende seconde gleed onze boot de hare voorbij en de middelstraat in van dit dorpsche Venetië. Aan het geplas hoorde ik dat het andere vaartuig ons volgde. Een echt sprookjesavontuur. Boven onze hoofden trommelde de regen nu dof op het bladerdak. Rechts en links groeide eiland naast eiland, huis naast huis uit den blauwen nevel op. Hel glansden de vleeschkleurige torens opgestapeld hout. De boot moest langzaam tusschen palen en aanlegsteigers, tusschen vastgemeerde vaartuigen en vischkaren haar weg zoeken.

De herberg onderscheidde zich in niets van de overige boerenhoeven. Beneden een kleine haven, waarin de natte oever schuin afliep, links, half in de elzenboschjes, een open houten loods, op welker balken de waterdruppels parelden, een hoop zwartachtige tonnen op het erf, een paar kreupele tafels en banken waarover het vocht donkere streepen gemaakt had, heel bovenaan, op den achtergrond, was het eigenlijke huis, van één verdieping, en op welks ruige dak een paar groote, lichtgroene moskussens lagen; onder de kleine venstertjes zat een troep witte eenden dicht tegen den muur gedrukt. Een verlaten bordje aan een elzenboom verbood het rooken op de eilandjes. Men hoorde geen enkele stem, geen enkele uiting van leven

ver in 't rond.

Ik sprong op den oever en hielp Lilly uit den boot.

— O, laat maar, natte ridder, maak maar dat ge weg komt, anders verdrinkt ge me nog.

De gelagkamer was bijna donker, de zolder zóó laag, dat men er met de hand aan raken kon.