Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

idee van een mechanisch gebeuren zonder doel of beteekenis was geen waanzin van het heelal, maar een waanzin var je wetenschap.

Al verder en verder peinsde ik. De aarde rolde onderwijl, onbewust van de droomen van het eenzame menschenkind! verder op haar baan. Weer klonk na een poos de klok van het slot; de zon begon feller te branden.

Op de groote bloemeneilanden in het groene grasperk vlogen onophoudelijk groote vlinders af en aan. Ik volgde ze met mijn blik, volgde ook de vogels, die elkaar vervoleder in wild liefdesspel.

Wanneer deze wereld een wonder, verborgen geestenrijk in zich droeg — wie kon zeggen, welke raadselen dan ook de ziel der dieren nog omsloot? Nieuwe gebieden, waarheen het oog zich richtte! De natuur, die wij met moeizamen arbeid van haar geesten ontdaan hadden, dood gemaakt hadden tot een werktuigelijk ding, die moest opnieuw bezield worden — een reuzenwerk.

Ik stond op het punt mijn gedachten te laten afdwalen naar nieuwe verten. Maar midden in het beeld, dat zoo lang als een statige schilderij vóór mij gestaan had, geschiedde er iets dat mijn opmerkzaamheid trok. Een der middelste glasdeuren van het tuinhuis ging met licht geknars °pe.n, —. in de °Pening verscheen een slanke, vrouwelijke gestalte in licht zomertoilet — Ernestine.

Ze bleef met haar ééne voetje vooruit, even staan en zag in het rond. In dat langzame naar buiten komen lag iets aarzelends, haar heele sierlijke verschijning had iets van een schitterend vogeltje, dat half vermetel en half schuw uit zijn toevallig geopend kooitje, de vrijheid intrippelt. Daar haar blik toevallig eerst langs de verder afgelegen dingen ging, zag ze mij eerst het laatst. Ze schrok even en een seconde lang scheen het dat ze weer in het duister van den tempel terug wilde vluchten. Doch ze herkende mij, knikte met haar goudkopje en kwam met vasten tred geheel en al naar buiten. Ze bleef nog even bezig om de deur zorgvuldig af te sluiten. De kleine, blinkende sleutel werd diep in haar zak begraven — ik stond op, ze kwam lachend naar me toe.

— Goeden morgen, mejuffrouw.

."7 Hé — goeden dag. Blijft u zitten, mijnheer, ik wil u niet storen. Gaat u al zoo vroeg wandelen? Houdt u van vroeg opstaan?

Ik zag in het aardige meisje heden alleen maar een lid van de Spreewoud-kolonie, die ik zoo spoedig liefge-

Sluiten