Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weg in te slaan. Klaarblijkelijk volgde hij bij het verhoor een tevoren nauwkeurig overwogen leiddraad en daar was gevoegelijk niets tegen in te brengen. Allen konden toch niet door elkaar vragen; een moest ten slotte het woord hebben. Dat die eene de graaf moest zijn, scheen evenzeer van zelf te spreken, daar hij ongetwijfeld het beste vertrouwd was met de praktijk van deze ongewone dingen.

Hij vroeg dan in de eerste plaats of de geest hem antwoorden kon op vragen van natuurwetenschappelijken aard. Het slechte krabbelende pootje antwoordde:

— Ja, doch gelden sommige — daar zijn grenzen — kan u slechts dingen, die beperkt aardsch verstand begrijpen kan, niets wat buiten de aanschouwingsvormen van tijd en ruimte valt, begrijpelijk maken. Ik mij u zoo goed aan als mij maar eenigszins mogelijk is. U zult dus zoo goed zijn en scherp omlijnde vragen stellen. Orgaan, waardoor ik de eer heb met u in verbinding te komen, is zeer onvoldoende. Ik lang achtereen daarmee arbeiden volmaakt onmogelijk is.

Hoewel deze woorden het gebied van wat te verwachten was, zeer sterk beperkten, maakten ze toch indruk door een zekere logica, die erin lag. Het was te begrijpen, dat de geest door middel van menschelijke hersenen en een menschelijke hand voor ons geen problemen oplossen kon, die het menschelijke begrip absoluut te boven gingen.

De graaf begon dus met naar dingen te vragen, die niet uitteraard zijner denkkracht verborgen zijn voor den modernen natuurvorscher, doch voor welker opheldering uiterlijke hinderpalen onoverkomelijke beletsels zijn. De antwoorden waren niet alle even uitvoerig en helder, doch ze waren op hun wijze alle passend. Reeds de eerste vraag betrof de keerzijde van de maan, een astrophysisch vraagstuk, welks oplossing den mensch ontzegd is door toevallige topografische omstandigheden (gelijk bekend is, keert de maan ons altijd dezelfde zijde toe). Wat kon het slapende meisje van zulke dingen af weten? Het antwoord was in tweeërlei opzicht merkwaardig. Het gaf niet alleen nieuwe bijzonderheden, maar bevestigde ook een in astronomische vakkringen welbekende hypothese. Hansen heeft voor 't eerst de stelling ontwikkeld dat het zwaartepunt van onzen wachter niet met het wiskundige middenpunt samenvalt. Het ligt meer naar de onzichtbare zijde. En zoo lijkt de naar ons toegekeerde zijde zoo iets als een onmetelijk groote berg, die in de ijskoude wereldruimte vooruitsteekt, een

Sluiten