Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

houtvoorraad een waar tonder vormden, dat echter die wal van duivelsdoorn eromheen een soort beschutting kon zijn voor de omgeving, dat dit levende vilt zelfs aan den heftigsten vuurgloed lang weerstand kon bieden.

Mogelijk heb ik daarbij een levendig bewustzijn gehad van een rooden vuurschijn, van brandend opwervelend stroo, waarvoor dat groen als een zwarte, alleen aan den rand langzaam rookende dam stond ... maar helder bewust werd ik mij dit beeld toch niet, het was voorbij, vóór ik het goed vasthouden kon.

De door de rupsen afgevreten skeletten van het eikenbosch, waar ik daareven doorheen gegaan was, voegden tegelijkertijd nog een tweede bijzonderheid aan het eerste beeld toe: ik zag verzengde ooftboomen, met verkoold, gebarsten hout, ik zag de stellage van een slijpsteen, half verkoold door de hitte, half zwart en nog half groen, gelijk het eenige der eiken nog geweest waren in dien vernielden aanplant. Men heeft duizendmaal van die snelle visioenen onder het wandelen; in een volgende seconde zijn ze spoorloos uit de herinnering verdwenen, maar toch moeten ze nog ergens in de hersenen blijven voorleven, daar de droom ze met voorliefde weer opzoekt en verder uitspint.

Mijn verwachting reeds tusschen de huizen op den heuvelkam een vrij uitzicht te zullen hebben, kwam bedrogen uit. Daartoe moest ik blijkbaar nog verder omhoog. Had ik een mensch ontmoet, dan had ik naar den weg gevraagd, maar het was en bleef spookachtig stil tusschen de huizen. Ofwei allen waren in het veld ofwel alles bleef verborgen achter de kleine, doffe ruitjes.

Dicht bij het laatste dak verhieven zich twee reusachtige, door den storm gespleten eiken. Een vonder voerde over een sloot, op den oever waarvan een troep luie ganzen lag. Aan den helderwitten glans van haar gevederte merkte het oog eerst, hoe donker het al geworden was. Er was nu geen spoor meer van de zon, en de grijze nevelsluier had zich verdicht tot echte wolken. Aan de andere zijde van het dorp verhief zich een bijna zwart pijnbosch en stak scherp af tegen de gele zandlijn van den weg. Van deze plek af, dicht bij de kromming van den weg, zag men duidelijk dat aan gene zijde van den heuvel zich niet weer aanstonds de vlakke korenakkers uitstrekten. Verscheidene terreingolven lagen achter elkaar en in de verte weer andere. Misschien lag daar een meer tusschen.

Het was r,u wezenlijk een dwaasheid nog verder te

Sluiten