Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lil.

ju was ik vrij, maar of ik Lilly nog vinden zou? . Dat was de groote vraag, die zou beslissen over ) het geluk van mijn dag.

In weerwil van den regen, die bleef vallen, deed ik mijn parapluie dicht om sneller door de menigte, die zich op de trottoirs verdrong, heen te kunnen breken. Een treurig gezicht zulk een wereldstad in regenlicht! De smalle strook hemel boven de lijnrechte straat was volkomen grijs.

En ook beneden langs de huizen en op straat was alles grauw, donkerbruin, zwart, als was iedere kleur met opzet uit deze kuituurwereld verbannen.

Nog sterker dan daareven in het café Josty greep mij afkeer aan. De groote stad maakte op mij den indruk van een verschaald, gemorst bierrestje, waarin een wemelend leger van zwarte vliegen vastkleefde of met trage beenen omkroop om in het volgende oogenblik ook te verdrinken en te verrotten.

Ik waagde het niet verder te gaan dan den hoek van de Leipzigerstraat, liep weer een eindweegs terug, bleef ten slotte besluiteloos een oogenblik met het gezicht naar de straat gekeerd op den rand van het troittoir staan, alsof ik op een omnibus wachtte. Een wagen, waarvan het natte rad mij rakelings voorbijging, bespatte mijne lichte zomerpantalon met geel-bruine druppels, waarvan de sporen snel tot taaie korstjes uitdroogden. Ik sloeg er geen acht op. De heele wereld om mij heen liet me verschrikkelijk koud.

Doch toen de straat nu een oogenblik leeg bleef, gevoelde ik toch voorbijgaand iets als een duizeling, een duizeling, zooals de onmetelijke, warrelende straten eener groote stad soms in den voetganger verwekken ... de uitgestrekte, zwartbruine slijkspiegel van het asphalt met de duizend fijne kringetjes en radersporen scheen mij een omhoogkronkelende

Sluiten