Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blijkbaar het gesprek weder op een ander thema brengen.

— Neen, miss Lilly, nooit. — In Amerika, daar hebben ze mij veel kwaad gedaan. Bij u zijn de menschen toch anders, veel heter. En ik zou er toch wel weer heen willen. Ik was daar heel gelukkig — o, het geluk, neen ...

Zwijgend staarde zij een wijle op haar glas, dat zij daarop in één teug ledigde. Hier geluk, daar geluk, — waarom zijn de menschen zoo waanzinnig? Als men het heeft, gooit men het weg, en omgekeerd. Dat is vreeselijk vervelend. Weet uwe philosophie, waardoor dat komt? Zeg 't mij dan eens

Ik beredeneerde ijverig, dat zij toch geen reden had om pessimist te zijn. Welk geluk zij ginds ook had gehad, (ik dacht aan het leven in 't ouderlijk huis) was er een schooner lot dan hetgeen haar nu ten deel gevallen was? Was zij geen heilige voor ons? — Ze speelde, terwijl ik sprak, met haar mes. Toen ik zweeg, zeide zij, meteen ernstigen blik, die langzamerhand overging in een betooverend zacht lachje: — O, ja, mijn vriend, o ja, — o,ja! Gij hebt gelijk, en Lilly is het gelukkigste menschenkind. Maar daarop zullen wij niet klinken, doch op u, omdat gij het zoo knap gezegd hebt. Prosit! Wij klonken, en ik moest nu ook lachen, de ernst was overwonnen. Toen wij de glazen neerzetten, drukte ik haar koude handje, dat zij mij langen tijd liet. Toen begon ze mij allerlei uit mijn leven te vragen wat ons snel tot elkaar bracht. Ik liet een tweede flesch koinen, en nu klonken wij op haar. Zij weerde af, dat bracht ongeluk aan. Ik wilde nogmaals haar handje vatten.

— Neen, dat krijgt ge niet — ge moet oppassen, anders roep ik mijne geesten. Op 't laatst liet zij het toch toe.

— Laat de geesten maar rustig komen, dan kunnen we de kellner eens een gezicht zien zetten; ik wed dat hij een agent haalt. — Foei, ge zijt niet waard, dat Lilly medium voor u is. — Bovendien, miss Lilly, moet u eerst inslapen, en dat zou toch jammer zijn. — Als gij mij nog eens weer inschenkt, zal dat wel vanzelf komen. — Zullen wij 't eens probeeren? — Pas op, ik klaag 11 aan bij den graaf, is zoo'n drinkpartij soms ook philosophie? — Dat gaat den graaf absoluut niet aan. Vandaag zijn wij op mijn terrein, niet op zijn spokenslot.

— Overal zijn booze spoken. Gij zijt er misschien ook wel een, wie zal 't weten?

— En gij dan? als uit u nu plotseling eens Messalina of Herodias ging spreken, en mij aanstonds door den kellner

Sluiten