Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

trommelde steeds door op de veranda, een uur verging onder prettig gebabbel. Ik zag een nieuwe maas in 't net vóór mij met dezen komenden rit. Wat daarna zou komen overwoog ik niet, het zou komen, zooals het andere gekomen was. Eindelijk werd opgebroken. We vonden ons plaatsje en de rit begon.

't Was een grauwe avond in 't bosch. Vóór ons zat de koetsier, breed in zijn natten mantel, zwart tegen den valen achtergrond. Naast ons een langzaam opdrogend regenscherm en een roodgele lantaarn. Boven en achter ons donkere leeren zeilen, door welker zwakke wand het gejoel der dolle bende in de binnenste ruimte doordrong. En tusschen wereld en wereld, tusschen de zwijgende rust van dezen tot in het ontzaggelijke uitgerekt schijnenden koetsier, die gelaten reed en reed, hoe wild ook de regen op hem neer mocht kletteren, — en de joelende philisters, wier levensvreugde zich uitte in woest geschreeuw en gestamp, — tusschen deze, wij beiden, de zieneres uit het Spreewoud, die gekomen was om de waarheid te vernieuwen, en de geestesstrijder, die uit was getrokken ter Noordpoolvaart naar de heilige waarheidspool, — beiden op dit uur niets dan menschen, liefhebbende menschen.

Wij hielden elkaar vast omvat, kus brandde op kus. Wij moesten elkaar kussen... al zou de wereld en de waarheid vergaan .... Kus op kus, en aldoor weer kus op kns. Als ik de lippen terugtrok, zag ik bij den valen schijn der lantaren Lilly's gezicht als een bleeke vlek, waaruit twee groote, donkere, bij dit licht haast zwarte oogen gloeiden, de lippen verlangend geopend. Er was niets meer in onze wereld dan onze kussen, geen denken, verlangen of voelen meer, dan mond op mond, kus op kus. Nu zongen ze in 't rijtuig achter ons, ik hoorde slechts een vaag zoemen der melodie. En, het voorhoofd tegen Lilly's heete borst gedrukt, klonk daar voor mij een vers van mijn lievelingsdichter in:

»Auf diesen Felsen bauen wir Die Kirche von dem dritten,

Dem dritten neuen Testament,

Das Leid ist ausgelitten.

Der heiige Gott, der ist im Licht,

Wie in den Finsternissen Und Gott ist alles, was da ist,

Er ist in unsern Kussen!»

Sluiten