Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Lilly — wat had Lilly daarboven op de trapeze te maken? Wat had de zieneres, de waarheidspriesteres, die wij vereerden, die trotsche, vrije ziel, gemeen met het bonte schepsel, dat zich daarboven schommelde? Het beeld liet mij niet los, al gruwde ik van de vergelijking ... er moest in Lilly's wezen, in Lilly's gestalte iets zijn, dat herinnerde aan deze Bianca... Misschien waren 't mijne geprikkelde zinnen, misschien zag elke vrouw er vandaag, in mijn oog, als Lilly uit. 't Was belachelijk, om mij Lilly voor te stellen in kunstemakersopschik ... en toch ... en toch ...

Onwillekeurig had ik mijn hoofd wat laten zakken, mijn blik zag aan het net voorbij op het leege tooneel, en bleef dan aan iets hangen ... Boven een helblauwe hoekzuil met vergulde ornamenten, was een vrouwekop aangebracht in relief. En deze kop met zijn strenge trekken, afgesloten door een kinderlijk-ronde kin, met zijn onnatuurlijk, groote dieptreurige oogen — had werkelijk een sterke gelijkenis met Lilly.

't Was of ik mij afgewend had van het lichaam, dat zoo sterke gelijkenis vertoonde, maar dat een vreemd gezicht had, om hier het gezicht te vinden, dat mij aankeek, zwijgend, treurig, vaal in de goudversiering.., de toejuichingen der massa, die uitbraken bij een laatste kunststuk, gingen aan mij voorbij. Wat wilde deze Lilly nu weer? Ik had zelf Lilly's trekken vergeleken bij een standbeeld, reeds bij de geestenscène, toen zij schreef. Ik had mij losgerukt van het visioen eener Lilly, die aan de trapeze hing, en nu was ik opnieuw onder de betoovering van een Lilly, die mij onzegbaar treurig aanstaarde — wat was dat nu?

De muziek bruiste plotseling op in een schetterenden marsch, stoelen werden weggezet, 't gordijn was gevallen, de voorstelling was geëindigd. Ik ontwaakte uit mijn droom.

Toen een oogenblik later de koele, heldere nachtlucht over mijn verhit voorhoofd streek, dacht ik: — Wat ben je toch een gek met je gelijkenissen, je bent immers verliefd, en wilt daarom in elke vrouw Lilly zien. Maar de diepe zielsontroering verdween niet zoo gauw voor verstandsoverwegingen. Op den hoek der Leipzigerstraat overviel mij de herinnering aan het middaguur, dat ik hier op Lilly gewacht had. Welk een wereld lag er tusschen toen en nu! In een groot, helder verlicht bierlokaal bleef ik bijna twee uur, en toen ik er uitkwam, had de nabijheid der vele rustije phi-

Sluiten