Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

listers, naast het genot van spijs en drank en de lectuur van eenige kranten haar goede uitwerking niet gemist: 't was mij lichter te moede. Maar nu had ik eerst recht geen zin in slapen. Ik sloeg de Linden in, alsof ik toch naar Moabit wilde. Wat ik echter zocht in die leege, ongezellige woning, wist ik zelf niet. Hoe meer ik mij van de Friedrichstraat verwijderde, des te minder menschen kwam ik tegen; 't was mij ten laatste, alsof ik geheel alleen door de slapende stad dwaalde, en dat gevoel werd sterker, hoe verder ik ging. Ik kwam op van ouds bekende wegen, en toch scheen het mij toe, of mijn gang zich verlangzaamde. Een magnetische band, die sterker was dan mijn eigen wil, scheen mij terug te trekken. In de stemming, waarin ik verkeerde, moest ik onwillekeurig aan een geestelijken band denken, een volkomen geestelijke, vreemde wilsuiting, die mij beheerschte — dacht Lilly misschien aan mij op dit oogenblik, en bande haar gedachte mij terug naar de plaats, waar ik haar den volgenden morgen weer vinden zou? Langzaam verdergaand, merkte ik plotseling dat ik den weg, die naar Moabit voerde, voorbij was geloopen, ik keerde terug, om naar den goeden weg te zoeken. Doch opeens was het, alsof iets mij geheel en al vasthield, zoodat ik bewegingloos moest blijven staan op het kruispunt van twee bovenzinnelijke krachtslijnen: mijn eigen wil. die zijwaarts af wilde slaan, en het sterke iets, dat mij weer de richting uittrok, vanwaar ik gekomen was. Onwillekeurig keek ik omhoog. Tot dusver had ik de kolossale Triomfzuil midden op het plein nauwkeurig gezien, zoo vormloos vervloeide ze in den lichtkoepel, die boven haar stond. Maar nu stond de maan bijna recht boven de figuur op den top, en één wiek van de gevleugelde Victoria, die verder ook samenvloeide met het diepe blauw van den hemel, stak fonkelend van maanlicht als een losse, schitterende wolk tegen dezen hemel af. Als betooverd keek ik naar deze verblindende belichting. En ook daar, in die zwevende vrouwegestalte, die scheen te sidderen, en weg te fladderen, ook daarin zag ik Lilly, niet ellendig of treurig meer, maar groot, bevrijd van al het aardsche, de echte vrouw, die den hemel openen zou voor de wereld, de messiasnatuur, die was gekomen om ons te verlossen. Ja, nu herkende ik haar beslist, en ik twijfelde er geen oogenblik aan, dat ik op dit oogenblik onder haar invloed stond, dat zij in den geest bij mij was en dit symbolische beeld voor mij neergeplaatst had ... morgen zoodra de zon opging, zou ik het uit haar eigen mond

Sluiten