Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kellerin, een afgerukt plantje uit de groote stad. < Wij zaten en babbelden tot 's avonds de eerste ster oplichtte over de donkere elzen. Wij huurden een bootje, wat minder bezwarend was dan te voet in 't donker tusschen het labyrint der kanalen den weg te zoeken. Zoo had deze dag bijna hetzelfde einde als die van gisteren. De rumoerige troep, die aan 't andere tafeltje gezeten had, roeide voor ons uit, en zong vroolijk, evenals ons gezelschap van gisteren, maar 't waren frisscher stemmen, en wondermooi ruischten de studentenliederen over het zwarte landschap. Toen het een lang eind volkomen donker werd onder de ineengegroeide elzentakken, haalde een hunner een armvol hooi uit een bootje, dat aan den weg lag, en stak de droge stof in kleine propjes aan om als licht te dienen. De brandende dotjes dreven lang op den tragen stroom, zonder uit te gaan, en tooverden een rood kleurenspel op golven en bladerwerk, alsof dwaallichtjes dansten. Toen onze wegen zich scheidden vóór het groote weidedal zongen zij: <Es is bestimmt in Gottes Rat »

Hierbuiten, op de open plek, was het merkbaar koeler. Over de weilanden steeg een nevel op, die de oevers verborg; als een zwart oog zag het verre woud erop neer. Het water was grauw, slechts onze boot lag spookachtig wit erop.

Lilly liet de roeiriemen zinken, het bootje draaide langzaam rond, en stootte toen tegen het natte oevergras. Een oogenblik lag het geheel stil, vóór Lilly opnieuw de roeiriem bewoog. De nevel rees zichtbaar hooger. Soms, terwijl wij zoo langzaam verder roeiden, was het alsof de boot door een zuil van damp sneed, men zag dan een oogenblik niets. Hoe minder men van 't bosch zien kon, des te duidelijker voelden we aan de lucht de nabijheid van het geheimzinnige, moerassige kreupelhout, waar ik tot nu toe niet was geweest.

Ik meende te zien hoe Lilly's oogen naar dat omsluierde raadsel dwaalden. Er gloeide een vlam in haar blik, toen zij mij daarop aankeek, zooals toen in de stormgolven van het meer. Maar nu zeide zij niet: — Het is genoeg, laat ons omkeeren, en weer verstandig zijn. Zij vroeg naar den tijd. Ik streek een lucifer af, en keek op 't horloge. — O, dan is het nog vroeg! Zullen wij 't bosch ingaan? Ik roei nog graag een eind.

— Goed, 't is nu mooi om 't bosch in te gaan.

— Wilhelm, luister eens! — Ik luister.

— Zul je naast Lilly staan, later, als het haar eens heel, neel slecht gaat? Zul je? Trots dat van vanmorgen?

23

Sluiten