Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Ik ben van jou, Lilly, dat weet je, trots de gansche wereld.

't Was te donker om te zien, wat zij deed, maar ik voelde de boot sneller bewegen. Zij had een zijkanaal ingestuurd. Na een poosje werd het watervlak wel driemaal breeder, de nevelweek. Na de grauwe kwam een volkomen zwarte duisternis; over ons welfde zich donker loofgewelf, als de spitsbogen van een Gothischen dom. Een zware geur kwam van den oever... daar was het dus eindelijk, het echte, mystieke Spreewoud! Zwarter en zwarter werd het rondom — slechts het bootje bleef gelijkmatig licht. Men hoorde de stemmen van 't woud, die anders klonken dan die der weide, een ritselen en ruischen als van groote, onzichtbare vogels, het geurde van onzichtbare bloemen, die misschien eerst in den warmen nacht waren ontloken. Vóór ons lag plotseling een groote vochtige massa, de boot boorde er zacht in, — een bedwelmende geur steeg eruit op, het was een losdrijvende boot met hooi.

Nu waren wij dicht aan den oever, mijn hand raakte bloemen, nat van dauw, welker geur zich vermengde met die van het frissche gras. — Komen wij hier niet verder?

Zeker, maar wij moeten eerst een stuk terugroeien.

Ik verwachtte opnieuw het plassen te hooren, het zachte, betooverende verderglijden. Maar zij had den riem laten zakken, en een overhangenden tak gegrepen. Nu knerste het zand onder den kiel.

Wat wil je, Lilly? — De naam klonk geheimzinnig in al dien geur.

Ik voelde weer de groote zware bloemen tegen mijn gezicht; overdag, zou ik ze, als botanicus, herkend hebben, nu werd ik slechts den bedwelmenden geur gewaar. Opeens een heftige ruk, de boot schommelde op. — Ga je aan land? — Ik ben aan land! Ik tastte weer, dicht naast den rand der boot was hoog gras. Ik sprong eruit, midden tusschen de bloemen, een kraken en knakken rondom, en nog wilder geur, alsof uit de gebroken stengels eerst de gansche, heete gloed opsteeg. Nu legden zich twee armen om mijn hals, en nu was de nacht opeens vervlogen ... ik wist niet meer wat ruischte, wat brak, wat zich zacht tegen mij aanvleide .. een geweldig vuur was in mij ... ik kuste de borst,' die ik had zien oplichten uit de schuimbergen van het onweerineer... in deze volkomen nacht, in dit omhullend oerwoud, dat zijn levend gewaad over ons wierp, was onze gloeiende onbegrensd uitlaaiende liefde als de heete polslag der

Sluiten