Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kunnen verzorgen. Hij bromde op Lilly, die het eeuwige poseeren moede werd, en schold, als hij tenminste zijn mond opendeed, op de kunst, op de vrouwen en op de heele wereld.

Zoo bleef, als de laatsten, met wie ik nauwere relaties onderhied, Walter, de dichter over. Hij had zich van den eersten dag af met alle warmte, die in hem was, bij mij aangesloten."Hij kwam graag op mijn kamer en babbelde aangenaam, al was hij niet bijzonder geestig. Trots zijn Berïijnsch scepticisme, had hij gevoel voor landelijke schoonheid. Soms gingen wij samen wandelen, en eens begeleidde hij Lilly en mij naar het café, waar wij, op dien wilden avond gerust hadden, wij dronken een paar fiesschen zuren wijn, en gedroegen ons als jonge bohémiens, waarvan de een zijn liefste had meegenomen. Daarna roeide hij ons, in 't zweet zijns ronden aangezichts, naar huis; wij waren beiden van het drinken opgewonden geworden, en kusten elkaar in de boot naar hartelust. Hij staarde daarbij ernstig met zijn groote brilleglazen naar de maan, en gaf ons rijkelijk tijd tot liefkozingen.

Al bleef dus onze liefde zonder stoornis, zoo drukte er toch tegen 't einde der maand, iets op allen, niet het minst op inij. Lilly's mystieke kracht scheen in een stadium van volkomen stilstand te zijn geraakt; de heele maamd door was geen enkele séance gelukt. Tot nu toe was een zoo absoluut te kort schieten, gepaard aan een zoo algeheele verandering in Lilly's wezen, nog niet voorgekomen.

Voor den graaf was het wel het ergste, en hij scheen erg onder den indruk ervan te zijn. Nadat zijn bekeeringswerk bij mij zoo goed was gelukt, was hij in den laatsten tijd reeds tweemaal afgeweken van zijn voornemen tot geheimhouding der proeven, en had uit Berlijn vreemde heeren meegebracht, die een séance bij zouden wonen. Beide keeren had Lilly zich glimlachend laten vastbinden en verzegelen, maar toen wij, na een uur wachtens, de deur openden, lachte zij ons toe met groote oogen: er was niets veranderd. — Een andere keer, ik ben nu niet sterk. De eerste mislukking was niet erg, daar de gast een standgenoot van den graaf, en reeds lang spiritist was, die alles ten beste uitlegde. Het tweede geval echter was in hooge mate pijnlijk. De bezoekers waren twee jonge artsen, die de mislukking zoo scherp mogelijk bespotten. Na deze laatste séance ging de graaf zelfs zoover, Lilly verwijten te doen. 't Was een onplezierig oogenblik, wij

Sluiten