Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III.

aen ik ontwaakte, voelde ik mij bijzonder zacht gestemd, als na zwarte ziekte — mat, gelaten en tegelijk doordrongen van iets als een moeden vrede. De

zon scheen hel in de kamer, 't moest een scnoone aag zijn. Maar ik had nog geen lust tot opstaan, langen tijd bleef ik met open oogen liggen en dacht. De gebeurtenissen van den nacht gingen aar. mij voorbij. Ze schenen mij wonderlijk, maar over 't geheel toch zeer onschuldig, wat de zaak zelf betrof. Wij, die meenden een zuiver standpunt veroverd te hebben, hadden toegegeven aan de plompe zucht om te «ontmaskeren».

Lilly ontmaskeren. . . wat een waanzin. In deze gedachten mengde zich ook iets bitters, dat mij persoonlijk aanging en op geen manier te ontkennen was. Bij de angst voor een blijvend ontbreken van Lilly's mediumieke kracht, kwam nu ook nog de drukkende twijfel of Lilly's moreel aanzien bij hare omgeving niet eveneens geleden had den laatsten tijd. 't Was mogelijk, zelfs waarschijnlijk, dat de treurige poging van Ernestine, om zelf, in Lilly's plaats, voor geest te spelen, voor een deel goedhartigheid van haar was. Zij had, daar zich niets werkelijk mystieks meer voor wilde doen, op plompe manier willen nadoen. Ik wist, hoe het meisje aan Lilly was gehecht, en dat zij evenveel moed als lichtzinnigheid bezat, zoodat deze dolle gedachte best in haar op had kunnen komen. Maar het pijnlijke was, dat daaruit bleek, hoe Ernestine geen hooge meening, noch van mij, noch van Lilly hebben kon. Zij zag in die mystieke dingen een spel, evenals in de minnarijen. Wij hadden daarbij hare hulp en handigheid willig aangenomen, dus voelde zij zich nu ook gerechtigd, op 't andere gebied, ongevraagd onze zaakjes te verbeteren. Dat was uiterst vernederend. De heele vloek der zinnelijke

Sluiten