Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij legden het gekromde lijk op de sofakussens — ik drukte de martelaarsoogen toe. De graaf trok mij aan den arm, ook zijn gezicht had een vreeselijke uitdrukking. — Daar!

Hij wees met een oogbeweging op een blad papier, dat open op tafel lag. Frey's handschrift. Wij lazen: — üoeden morgen, lieve vrienden. Ik ben ginds, komt mij gauw na. Ik wilde het al lang, maar 't was nog goed bij u. Gisteren werd het mij al te kras. Ik wil mij, na alles, niet met nieuwen twijfel plagen, ik wil nu zekerheid hebben. Uinds ben ik zeker. Uw zooeven in grootsten vrede weggestoomde Frey. N.B.: Op het kerkhof bij Grünheide, jullie weet wel. Jammer voor de onkosten, maar je hebt mij nu eenmaal verwend. Ginds zullen wij erover spreken. Addio de trein fluit. '

.... Er was niets akeligers dan de humor dezer laatste regels van een gezonde — en dit verwrongen lijk.

— Het is uit uit, zei de graaf, na eene pauze,

Waani"i er deze,fde gedachten gehad had als ik.

— Blijf hier — ik ga - naar 't slot — haal de — de lui — een dokter — hebben wij wel niet — meer noodig. Dat — is het — dus.

Het klonk mij, alsof hij wilde vragen: — Is dit dus de dood? Ik wilde mij dwingen, te denken: De dood is altijd iets afschuwelijks, maar die daar is al lang verlost; die is al ginds, t Was mij, alsof hij zich moest bewegen, mij een teeken geven. Ik luisterde werkelijk ernstig, of ik niet drie keer hoorde kloppen uit een of anderen hoek... er was te klaar daglicht in de kamer, om werkelijk angst te hebben,... maar ik dacht toch, dat er iets moest gebeuren.

Niets. Aldoor zoemende vliegen; het loof van den wijngaard bewoog zacht. Even ritselde het buiten tegen den muur, maar ik wist, dat het vogels waren. — Hij is ginds! dacht ik nogmaals. Ik geloofde plotseling, dat zijn aangezicht nu reeds, als de volksmond zegt, den hemel moest weerspiegelen vredig zijn geworden. Ik hief den zakdoek op. Maar de dood had de spiertrekkingen nog niet kunnen overwinnen — de blauwe lippen, die ik had willen sluiten gingen weer open ik liet den doek verschrikt weer vallen. Mijn blik dwaalde door 't vertrek. Steeds duidelijker merkte ik nu de sporen op van het laatste levensuur en van den doodsstijd. En overal hetzelfde contrast. Op tafel fe« geledigde champagneflesch naast den ouden leeren tabaksbuidel. De pijp lag in stukken in de eerste bloedvlek aan t venster. Een boek was op den grond gevallen,

Sluiten