Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geweest, die eerst, uit geldoverwegingen, den graaf omstrikt had. Vier jaar van onafgebroken samenzijn met een kring, die hoe droef ook uiteengevallen, toch langen tijd een voorbeeld van zedelijk gemeenschapsleven was geweest, kon niet spoorloos voorbijgaan aan een wezen, wier geest, ondanks alle duisternis ten opzichte van zedelijke gevoelens, hoog ontwikkeld was. — Lilly moest voelen wat zij deed. IJdelheid en materieele belangen konden toch op den duur niet alles verstikken. Het waarste en zedelijkste moment in Lilly's leven was, toen zij mij, bij mijn onverwachten terugkeer, wilde terugwijzen. Ik had haar niet begrepen en zoo was alles gekomen, als het kwam. Zij had niet de kracht bezeten, mijn hartstocht te weerstaan — wie wist, wat in haar binnenste was afgespeeld, al die weken! Ik ging de beide dagen in Berlijn na, alles was ontzettend klaar. Zij had mijne vrouw niet willen worden, omdat zij dit, na de scène aan het Duivelsmeer, toen ik haar mijn gedachten te schril had geopenbaard, als eene onmogelijkheid gevoeld had. Maar zij had in 't woud zich toch aan mij overgegeven, in blind liefdesgenot, dat, hoe jammerlijk het mij nu ook voorkwam, voor dit arme wezen zeker de hoogste, reinste liefde was geweest. Maar hare kracht had voortaan geheel gefaald, zij had niet meer kunnen bedriegen. De zwakke poging om Ernestine voor te schuiven, mislukte — van toen af aan was het einde één schipbreuk.

Het bleef een psychologisch raadsel, of zij werkelijk nog klaar geloofd had, bij hare laatste bekentenis, die met leugens was opgesierd, mij te winnen — in elk geval had zij deze laatste rol in haar leven zoo slecht mogelijk gespeeld. Toch lag juist daarin een zedelijk trekje — een moordenaar, die berouw heeft, wiens hand siddert, en die daardoor zijn offer mist. In de tragedie van dit verloren leven, had het tot niets anders kunnen leiden, dan dat de moordenaar ontwapend werd, en — als moordenaar — voor het gerecht kwam.

Op een avond vond ik óók nog de ontknooping van het raadsel uit die tweede gezichts-scéne. Merkwaardigerwijze had op het oogenblik van Lilly's ontmaskering, die eigen ervaring, die toch van Lilly geheel onafhankelijk was geweest, elke bewijskracht voor mij verloren. Toen het mij voor 't eerst weer in de gedachten kwam, scheen het mij een oud sprookje. Ik had het vertrouwen verloren in mijn eigen waarnemerseerlijkheid.

Sluiten